Dogen
Dōgen: de zenmeester die zazen en dagelijks leven samenbracht
Dōgen (1200–1253) was een Japanse zenmeester die een grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het Japanse boeddhisme. Hij geldt als de belangrijkste grondlegger van de Japanse Sōtō-zen en is vooral bekend om zijn radicale nadruk op zazen, de beoefening van zittende meditatie. Zijn bekendste werk, de Shōbōgenzō, behoort tot de belangrijkste teksten uit de geschiedenis van het Japanse zenboeddhisme.
Dōgen was echter meer dan iemand die mensen leerde mediteren. Hij schreef uitvoerig over tijd, zelf, verlichting, boeddhanatuur, ethiek, taal en het dagelijks leven. Bij hem zijn beoefening en inzicht bovendien niet twee losse stappen. Zazen is niet simpelweg een techniek waarmee je op een later moment verlichting probeert te bereiken. Het beoefenen zelf heeft volgens Dōgen al te maken met het realiseren van de Boeddhaweg.
Dat maakt Dōgen tot een interessante, maar soms ook moeilijke denker. Zijn teksten zitten vol woordspelingen, paradoxen en verwijzingen naar oudere boeddhistische en Chinese teksten. Om hem goed te begrijpen is het daarom nuttig om eerst naar zijn leven te kijken.
Wie was Dōgen?
Dōgen werd in 1200 geboren in Japan, tijdens de Kamakura-periode. Hij kwam uit een invloedrijke familie en verloor volgens de traditionele biografie op jonge leeftijd zijn moeder. Op ongeveer dertienjarige leeftijd werd hij monnik op de berg Hiei, het belangrijke centrum van de Tendai-school.
Al snel raakte hij echter bezig met een fundamentele vraag: als alle mensen volgens het Mahayana-boeddhisme boeddhanatuur bezitten, waarom is er dan nog beoefening nodig?
Die vraag zou een groot deel van zijn verdere denken bepalen.
Dōgen studeerde vervolgens aan verschillende tempels en kwam terecht bij Kenninji in Kyoto. Daar werd hij leerling van Myōzen, een zenmeester die verbonden was met de lijn van Eisai. Eisai had eerder het Chan-boeddhisme uit China naar Japan gebracht en wordt doorgaans gezien als een belangrijke grondlegger van de Japanse Rinzai-zen.
Voor Dōgen was Japan echter niet het einde van zijn zoektocht. In 1223 reisde hij samen met Myōzen naar China, waar hij verschillende kloosters bezocht en uiteindelijk de leraar Tiāntóng Rújìng ontmoette, in Japan bekend als Nyojō.
Dōgen in China
Dōgen verbleef enkele jaren in China en maakte daar kennis met verschillende vormen van het Chinese Chan-boeddhisme.
Zijn ontmoeting met Rújìng werd later een centraal onderdeel van de Sōtō-zen overlevering. Volgens de traditie beoefende Dōgen intensief zazen onder zijn leiding en kreeg hij daar een beslissende doorbraak. In Dōgens eigen teksten wordt deze ervaring verbonden met de uitdrukking shinjin datsuraku, meestal vertaald als iets als “lichaam en geest laten vallen” of “het laten vallen van lichaam en geest”.
Die vertaling kan overigens misleidend zijn. Het gaat niet simpelweg om het bereiken van een bijzondere toestand waarin je lichaam of geest verdwijnt. De uitdrukking verwijst naar het loslaten van de gehechtheid aan het zelf en aan de gewone manier waarop we onszelf en de werkelijkheid als afzonderlijke dingen begrijpen.
Dōgen keerde in 1227 terug naar Japan.
Hij bracht naar eigen zeggen geen verzameling spectaculaire nieuwe teksten of technieken mee. Wat voor hem centraal stond, was de beoefening van zazen en het inzicht dat hij daarmee had verbonden.
Wat leerde Dōgen?
De kern van Dōgens denken is moeilijk tot één zin terug te brengen. Toch komen een aantal ideeën steeds terug.
Een daarvan is dat beoefening en verlichting niet van elkaar gescheiden zijn.
In het Japans wordt dit vaak aangeduid als shushō of shushō ichinyo: beoefening en realisatie vormen één geheel. In veel eenvoudige uitleg over meditatie ontstaat het beeld dat iemand eerst onwetend is, vervolgens mediteert en uiteindelijk verlicht wordt.
Dōgen problematiseert dat schema.
Als je zazen uitsluitend beoefent om in de toekomst verlichting te krijgen, behandel je verlichting als een soort object dat je nog moet bemachtigen. Daarmee breng je volgens Dōgen juist een scheiding aan tussen jezelf en datgene wat je probeert te realiseren. Binnen zijn benadering is zazen daarom niet alleen een middel naar verlichting, maar een daadwerkelijke beoefening van de Boeddhaweg.
Dat betekent niet dat Dōgen vond dat je niets hoeft te doen omdat je al verlicht bent. Integendeel. Juist daarom is beoefening zo belangrijk.
Shikantaza: gewoon zitten
Dōgen wordt sterk verbonden met shikantaza. Dit Japanse begrip wordt vaak vertaald als “alleen maar zitten” of “gewoon zitten”.
Dat klinkt eenvoudig, maar bij Dōgen betekent het niet dat je gedachteloos op een kussen moet zitten.
Het gaat om zazen zonder dat je de meditatie gebruikt om een bepaald persoonlijk doel te bereiken. Je zit niet om een bijzondere ervaring te krijgen, niet om een spirituele prestatie te leveren en niet om jezelf een speciaal gevoel te bezorgen.
Dat maakt shikantaza anders dan een moderne voorstelling van meditatie als een techniek die je gebruikt om bijvoorbeeld stress te verminderen.
Dōgen ziet zazen als een uitdrukking van de Boeddhaweg zelf. Het doel is dus niet simpelweg een bepaalde mentale toestand bereiken.
Daarbij is het belangrijk om niet te denken dat Dōgen alle andere boeddhistische praktijken afwees.
Een bekende passage in de traditie rond Dōgen lijkt te zeggen dat je voor zazen geen wierook, buigingen, recitatie, berouwrituelen of het lezen van soetra's nodig hebt. Toch blijkt uit Dōgens eigen teksten en zijn religieuze praktijk dat dit niet betekent dat hij dergelijke praktijken letterlijk allemaal verwierp. Onderzoekers wijzen erop dat hij verschillende boeddhistische praktijken juist bleef gebruiken.
Zijn punt was eerder dat je je niet aan een bepaalde praktijk moet vastklampen alsof die op zichzelf een gegarandeerde weg naar verlichting vormt.
Dōgen en de vraag naar verlichting
Een van de interessante aspecten van Dōgens denken is dat hij het onderscheid tussen “verlicht” en “onverlicht” niet simpelweg accepteert als een tegenstelling tussen twee vaste toestanden.
Dat komt duidelijk naar voren in zijn beroemde tekst Genjōkōan, een van de bekendste onderdelen van de Shōbōgenzō.
Het Japanse genjōkōan is moeilijk letterlijk te vertalen. Genjō kan verwijzen naar iets dat zich manifesteert of gerealiseerd wordt, terwijl kōan in zen vaak bekend is als een paradoxale casus of vraag die beoefenaars gebruiken in hun beoefening.
Bij Dōgen krijgt genjōkōan een bredere betekenis. Het gaat onder andere om de manier waarop de werkelijkheid zich daadwerkelijk voordoet en hoe verlichting en dagelijkse ervaring zich tot elkaar verhouden.
Een beroemd gedeelte van de tekst behandelt de verhouding tussen mens en Boeddha, leven en dood, en waan en inzicht. Dōgen presenteert deze niet als simpele tegenstellingen die je door een theoretische oplossing kunt wegwerken.
Daarmee komt een belangrijk element van zijn denken naar voren: werkelijkheid moet niet alleen worden begrepen als een verzameling ideeën waarover je kunt nadenken. Ze moet ook daadwerkelijk worden geleefd en beoefend.
Uji: tijd is meer dan een klok
Een ander bekend onderdeel van de Shōbōgenzō heet Uji, meestal vertaald als “Being-Time” of “Zijn-tijd”.
Dit is een van Dōgens meest filosofische teksten.
Dōgen stelt daarin de gewone manier waarop we over tijd denken ter discussie. Normaal gesproken stellen we ons tijd voor als iets waarin dingen bestaan. Eerst is er het verleden, dan het heden en daarna de toekomst. Dingen bewegen als het ware door een bestaande tijd heen.
Dōgen draait dit om.
Hij verbindt “zijn” en “tijd” zo nauw met elkaar dat een ding of gebeurtenis niet eenvoudigweg in tijd bestaat. Zijn en tijd zijn met elkaar verweven.
Dat klinkt abstract, maar het sluit aan bij een breder boeddhistisch inzicht: niets bestaat volledig los van omstandigheden en relaties. Een mens is bijvoorbeeld niet eerst een volledig zelfstandig “ik” en komt daarna in relatie tot de wereld. Het bestaan van dat “ik” wordt juist gevormd door talloze relaties, omstandigheden en processen.
Dōgens denken over tijd is daarom geen los filosofisch experiment. Het staat in verbinding met thema's als vergankelijkheid, afhankelijk ontstaan en het loslaten van een vaststaand zelf. Zijn behandeling van tijd is een van de redenen waarom Dōgen tegenwoordig ook buiten boeddhistische studies veel aandacht krijgt in de filosofie.
Boeddhanatuur bij Dōgen
Een ander belangrijk onderwerp bij Dōgen is busshō, boeddhanatuur.
In veel Mahayana-tradities wordt gesproken over de boeddhanatuur van levende wezens: het vermogen of de aard die verbonden is met ontwaken.
Op het eerste gezicht lijkt dat eenvoudig. Als iedereen boeddhanatuur heeft, zou je kunnen zeggen dat iedereen diep vanbinnen al een Boeddha is.
Dōgen maakt het ingewikkelder.
Hij behandelt boeddhanatuur niet simpelweg als een verborgen spirituele kern die ergens diep in ieder mens ligt te wachten totdat deze wordt ontdekt. Zijn gebruik van taal rond boeddhanatuur is veel dynamischer. Het heeft te maken met het daadwerkelijke realiseren en beoefenen van de Boeddhaweg.
Hier komt opnieuw de verbinding tussen beoefening en realisatie terug. Boeddhanatuur is bij Dōgen niet alleen iets wat je hebt. Het krijgt betekenis in de manier waarop je leeft, beoefent en de werkelijkheid ontmoet. Onderzoek naar Dōgens teksten benadrukt daarom de verbinding tussen boeddhanatuur, zazen en zelfontwikkeling.
Dōgen vond het dagelijks leven belangrijk
Het zou gemakkelijk zijn om Dōgen uitsluitend als een meditatieleraar te zien. Dat doet hem tekort.
Voor hem was de Boeddhaweg niet beperkt tot het moment waarop een monnik op een meditatiekussen zit. Ook koken, schoonmaken, eten, werken, lopen en omgaan met andere mensen konden onderdeel zijn van de beoefening.
Dat zie je terug in zijn aandacht voor het kloosterleven.
Een voorbeeld is Tenzo Kyōkun, de instructies voor de tenzo, de monnik die verantwoordelijk is voor het bereiden van voedsel in het klooster. Voor een moderne lezer kan het vreemd lijken dat een beroemde zenmeester zo uitgebreid schrijft over koken.
Voor Dōgen is dat juist logisch.
Als beoefening alleen bestaat uit mediteren terwijl je op een kussen zit, ontstaat er een kunstmatige scheiding tussen “spiritueel” en “alledaags”. Dōgen probeert die scheiding juist te doorbreken.
Ook in moderne studies naar Dōgen komt naar voren dat hij veel waarde hechtte aan beoefening in alledaagse activiteiten, ethisch gedrag en de voortdurende vernieuwing van de praktijk.
De Shōbōgenzō
Dōgens bekendste werk is de Shōbōgenzō (正法眼蔵).
De titel wordt vaak vertaald als “Schatkamer van het Oog van de Ware Dharma” of “Treasury of the True Dharma Eye”. Het werk bestaat uit een verzameling teksten over uiteenlopende onderwerpen binnen het boeddhisme en zen.
Bekende onderdelen zijn onder andere:
- Genjōkōan — over de manifestatie van de werkelijkheid en de verhouding tussen waan en inzicht;
- Uji — over zijn en tijd;
- Busshō — over boeddhanatuur;
- Zazengi — over zazen;
- Shōji — over leven en dood;
- Bendōwa — een gesprek over het beoefenen van de Weg;
- Fukanzazengi — algemene instructies voor zazen.
De tekst is niet altijd gemakkelijk te lezen. Dōgen schrijft in een stijl waarin Japanse taal, Chinese boeddhistische literatuur, woordspelingen en verschillende betekenislagen door elkaar lopen.
Daarom kunnen vertalingen behoorlijk van elkaar verschillen. Er bestaan inmiddels meerdere volledige Engelse vertalingen en ook moderne Japanse vertalingen. Een recente wetenschappelijke uitgave van het Sōtō Zen Text Project bestaat zelfs uit acht delen en is gebaseerd op een kritische Japanse teksteditie.
Dat is ook een reden om voorzichtig te zijn met korte Nederlandse vertalingen van beroemde zinnen van Dōgen. Een ogenschijnlijk simpele zin kan in het Japans veel meer betekenislagen hebben.
Dōgen en de Sōtō-zen
Dōgen wordt vaak “de stichter van de Sōtō-zen” genoemd. Dat is begrijpelijk, maar historisch gezien is iets meer nuance nodig.
De Sōtō-lijn bestond namelijk al in China. De Chinese Caodong-school vormde de achtergrond van de traditie waarmee Dōgen in aanraking kwam. Dōgen bracht deze vorm van Chan naar Japan en gaf er een eigen, zeer invloedrijke vorm aan.
Binnen de huidige Sōtō-school worden Dōgen en Keizan Jōkin samen als de twee grondleggers beschouwd. Dōgen wordt verbonden met het vestigen van de leer, terwijl Keizan enkele generaties later een grote rol speelde bij de verdere verspreiding en institutionele ontwikkeling van de school.
Dōgen was dus niet de persoon die het volledige Sōtō-boeddhisme uit het niets heeft bedacht. Zijn belang ligt vooral in de manier waarop hij de Chinese zen-erfenis interpreteerde, in Japan vormgaf en uitwerkte in zijn teksten en kloosterpraktijk.
Eiheiji: het klooster van Dōgen
In de jaren na zijn terugkeer uit China verbleef Dōgen onder andere in Kyoto en stichtte hij een kloostergemeenschap in Kōshōji.
In 1243 verhuisde hij naar de provincie Echizen, het huidige Fukui. Daar werd een nieuw klooster gebouwd. Het kreeg eerst de naam Daibutsuji en werd later Eiheiji genoemd.
Eiheiji bestaat nog altijd en is een van de twee belangrijkste hoofdtempels van de hedendaagse Sōtō-school, naast Sōjiji.
Dōgen besteedde zijn laatste jaren grotendeels aan het onderwijzen van zijn leerlingen en het organiseren van het kloosterleven. Zijn latere onderricht is onder andere bewaard in de Eihei Kōroku, een verzameling preken en andere teksten die een belangrijke aanvulling vormt op de Shōbōgenzō.
Dōgen stierf in 1253.
Werd Dōgen tijdens zijn leven al gezien als een grote zenmeester?
Niet helemaal op de manier waarop we hem tegenwoordig kennen.
Dōgen kreeg tijdens zijn leven leerlingen en had een eigen kloostergemeenschap, maar zijn invloed groeide vooral in de generaties na zijn dood. De geschiedenis van de Sōtō-school is bovendien niet simpelweg een rechte lijn waarin iedereen vanaf het begin precies dezelfde leer van Dōgen volgde.
Zijn opvolgers, waaronder Koun Ejō en later Keizan, speelden een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling van de traditie. Vooral Keizan droeg bij aan de verspreiding van Sōtō in Japan.
Opvallend is ook dat Dōgens geschriften lange tijd vooral binnen Sōtō-kringen door monastieke geleerden werden bestudeerd. Pas veel later kregen zijn werken een veel groter publiek. Volgens Oxford Bibliographies werden Dōgens geschriften in de twintigste eeuw buiten de traditionele Sōtō-context steeds bekender.
Dat helpt verklaren waarom Dōgen tegenwoordig soms wordt voorgesteld als een soort tijdloze Japanse filosoof. Die moderne belangstelling is echt, maar zijn oorspronkelijke context was die van een dertiende-eeuwse Japanse boeddhistische monnik.
Dōgen en Rinzai-zen
Dōgen wordt vaak tegenover Rinzai-zen geplaatst.
Beide tradities komen voort uit het Chinese Chan-boeddhisme en beide hechten veel waarde aan zazen. Toch zijn er verschillen in nadruk.
Sōtō-zen wordt sterk verbonden met shikantaza: het gewoon of uitsluitend zitten zonder een bepaald object of resultaat na te jagen.
Rinzai-zen wordt vaker geassocieerd met kōan-beoefening, waarbij een leerling intensief werkt met een kōan en daarbij vaak wordt gezocht naar een directe doorbraak in inzicht, bijvoorbeeld kenshō.
Die tegenstelling moet echter niet overdreven worden.
Dōgen schreef zelf veel over kōans en gebruikte materiaal uit de Chinese Chan-traditie uitvoerig. Onderzoek naar zijn werk laat zien dat hij een grote beheersing had van de Chinese kōan- en ontmoetingsliteratuur. Hij was dus zeker niet iemand die simpelweg alle kōans afwees.
Het verschil zit eerder in de manier waarop verschillende tradities de praktijk en het inzicht benadrukken.
Een minder bekend aspect: Dōgen was geen tegenstander van teksten
Omdat Dōgen zo sterk de nadruk legt op zazen, ontstaat soms het beeld dat zen bij hem draait om directe ervaring en dat boeken of filosofie eigenlijk onbelangrijk zijn.
Dat beeld klopt niet goed.
Dōgen kende een enorme hoeveelheid boeddhistische literatuur en verwees voortdurend naar soetra's, Chinese Chan-meesters, kōans en andere teksten. De Shōbōgenzō zelf staat er vol mee.
Zijn probleem was niet dat teksten nutteloos zijn. Het probleem ontstaat wanneer iemand denkt dat het begrijpen van woorden hetzelfde is als het realiseren van de Boeddhaweg.
Dat verschil is belangrijk. Je kunt alles weten over meditatie zonder ooit daadwerkelijk te mediteren. Je kunt de theorie van niet-zelf begrijpen zonder dat je gehechtheid aan je eigen beeld van jezelf daardoor verandert.
Dōgen probeert juist die afstand tussen kennis en beoefening kleiner te maken.
Wat betekent Dōgens leer vandaag?
Dōgens ideeën zijn niet alleen interessant voor mensen die zich bezighouden met de geschiedenis van het zenboeddhisme.
Zijn visie op beoefening kan ook een andere manier geven om naar meditatie te kijken.
In plaats van zazen te zien als een instrument waarmee je jezelf moet verbeteren, kun je het zien als een manier om aandachtig aanwezig te zijn bij wat zich daadwerkelijk voordoet. Je hoeft daarbij niet iedere meditatie te beoordelen op de vraag of hij “goed” ging.
Ook zijn visie op het dagelijks leven is relevant. Als beoefening alleen plaatsvindt tijdens een formele meditatie, ontstaat er een duidelijke grens tussen het spirituele leven en de rest van de dag. Dōgens denken nodigt juist uit om die grens opnieuw te bekijken.
Hoe je eet, werkt, schoonmaakt, spreekt en met andere mensen omgaat, staat dan niet los van de Boeddhaweg.
Dat betekent overigens niet dat ieder alledaags moment automatisch verlichting is. Dōgen koppelt juist het gewone leven aan voortdurende beoefening.
Veelvoorkomende misverstanden over Dōgen
“Dōgen heeft het zenboeddhisme uitgevonden”
Nee. Dōgen was een belangrijke Japanse zenmeester en de centrale grondlegger van de Japanse Sōtō-traditie, maar zijn leer kwam voort uit bestaande Chinese Chan-tradities en een veel langere boeddhistische geschiedenis.
“Dōgen leerde dat je alleen maar hoeft te zitten”
Ook dat is te simpel.
Shikantaza is inderdaad belangrijk bij Dōgen, maar zijn werk gaat ook uitgebreid over ethiek, kloosterdiscipline, teksten, rituelen, taal, boeddhanatuur, leven en dood en het dagelijks handelen. Onderzoek naar zijn praktijk laat bovendien zien dat hij andere boeddhistische praktijken niet simpelweg verwierp.
“Dōgen dacht dat iedereen al verlicht is, dus beoefening is niet nodig”
Dit is precies de spanning die Dōgens denken interessant maakt.
Hij behandelt ontwaken niet als een bezit dat je eerst moet verkrijgen en daarna voor altijd kunt vasthouden. Daarom kunnen beoefening en realisatie volgens hem niet eenvoudig als twee opeenvolgende stappen worden gezien. Zazen blijft ook voor iemand die de Boeddhaweg volgt een levende beoefening.
“Dōgen was vooral een filosoof”
Zijn teksten hebben zonder twijfel een sterk filosofisch karakter en worden tegenwoordig ook buiten boeddhistische studies gelezen. Maar Dōgen was in de eerste plaats een boeddhistische monnik en leraar. Zijn ideeën zijn nauw verbonden met meditatie, ethiek, kloosterleven en de beoefening van de Boeddhaweg.
Waarom is Dōgen nog steeds belangrijk?
Dōgens invloed is groot omdat hij verschillende onderdelen van het boeddhisme bij elkaar brengt.
Hij spreekt over verlichting, maar niet als iets dat volledig losstaat van het dagelijks leven. Hij spreekt over boeddhanatuur, maar niet eenvoudig als een verborgen ziel. Hij spreekt over tijd, maar verbindt tijd met het bestaan zelf. En hij spreekt over zazen, maar niet alleen als een methode om een bepaald resultaat te bereiken.
Daarbij is hij niet gemakkelijk terug te brengen tot één beroemde uitspraak of één meditatiemethode.
Juist zijn voortdurende aandacht voor de relatie tussen beoefening en inzicht, tussen het alledaagse en het spirituele, en tussen mens en wereld, maakt hem tot een van de belangrijkste denkers binnen het Japanse zenboeddhisme.
Voor wie Dōgen wil leren kennen, is de Shōbōgenzō uiteindelijk de belangrijkste plaats om naartoe te gaan. Maar het helpt om die teksten niet te lezen als een verzameling losse filosofische wijsheden. Ze komen voort uit een concrete boeddhistische traditie waarin zazen, ethiek, gemeenschap, studie en dagelijks handelen allemaal met elkaar verbonden zijn.
Dōgens boodschap is daardoor minder eenvoudig dan “ga zitten en bereik verlichting”. Het gaat eerder om de vraag hoe beoefening zelf een manier van leven kan worden — niet alleen iets wat je doet om ergens anders te komen.