Metta Sutta

Het Metta Sutta is een van de bekendste teksten uit het boeddhisme. De tekst draait om mettā: een houding van welwillendheid, vriendelijkheid en de wens dat alle levende wezens vrij mogen zijn van leed en welzijn mogen ervaren.

De tekst is kort, maar de boodschap gaat veel verder dan simpelweg “lief zijn voor anderen”. Het Metta Sutta verbindt liefdevolle vriendelijkheid met ethisch gedrag, zelfbeheersing, meditatie, wijsheid en uiteindelijk het boeddhistische pad naar bevrijding.

Het gaat bovendien niet alleen om mensen die we aardig vinden. In het Metta Sutta wordt de beoefenaar juist aangespoord om een houding van welwillendheid te ontwikkelen tegenover alle levende wezens: sterk en zwak, dichtbij en ver weg, zichtbaar en onzichtbaar, en zelfs tegenover wezens die nog geboren moeten worden.

Wat is het Metta Sutta?

Het Metta Sutta is eigenlijk een verzamelnaam die vaak wordt gebruikt voor het Karaniya Metta Sutta. De Pali-naam wordt meestal vertaald als “De verhandeling over liefdevolle vriendelijkheid” of, iets letterlijker, “De verhandeling over wat gedaan moet worden”.

Het woord mettā wordt vaak vertaald als “liefdevolle vriendelijkheid”, maar dat Nederlandse begrip dekt niet helemaal alle betekenissen. Het Pali-woord heeft te maken met vriendschappelijkheid, welwillendheid, genegenheid en de wens dat anderen welzijn ervaren. Binnen de Theravada-traditie wordt mettā daarom niet opgevat als romantische liefde of als een sterk emotioneel gevoel. Het gaat eerder om een bepaalde houding van de geest: geen kwaad willen voor anderen en hun welzijn oprecht wensen.

Het Metta Sutta beschrijft vervolgens hoe iemand die houding ontwikkelt. Daarbij begint de tekst opvallend genoeg niet direct met meditatie. Eerst wordt beschreven hoe iemand hoort te leven: eerlijk, bescheiden, tevreden, eenvoudig en zonder anderen schade te berokkenen. Daarna komt de ontwikkeling van mettā als meditatie en mentale houding aan bod.

Waar staat het Metta Sutta?

Het Metta Sutta komt voor op twee plaatsen binnen de Pali-canon.

De eerste vindplaats is Sutta Nipāta 1.8, waar de tekst bekendstaat als het Karaṇīya Mettā Sutta. Daarnaast is dezelfde tekst opgenomen als Khuddakapāṭha 9. De Khuddakapāṭha is een verzameling van korte teksten die binnen de Theravada-traditie een belangrijke plaats heeft gekregen.

Dat het Metta Sutta op beide plaatsen voorkomt, is ook een reden waarom de tekst zo bekend is geworden binnen de Theravada-traditie. De Khuddakapāṭha bevat verschillende teksten die traditioneel worden gereciteerd, waaronder teksten die in de dagelijkse praktijk van monniken en leken een rol spelen.

De tekst die wij tegenwoordig het Metta Sutta noemen, moet dus niet worden verward met een modern gebed of een moderne meditatie-instructie. Het is een tekst uit de boeddhistische canon waarin verschillende aspecten van de boeddhistische praktijk samenkomen.

Wat betekent mettā?

Om het Metta Sutta goed te begrijpen, is het belangrijk om het woord mettā niet te snel gelijk te stellen aan “liefde”.

In het dagelijks Nederlands kan liefde namelijk van alles betekenen. We kunnen liefde voelen voor een partner, een familielid of een vriend. Die liefde gaat vaak samen met persoonlijke verbondenheid en voorkeur.

Mettā heeft een ander uitgangspunt. Het doel is juist om de wens voor welzijn niet uitsluitend te beperken tot mensen met wie we een persoonlijke band hebben.

De tekst zegt daarom niet alleen dat we vriendelijk moeten zijn tegenover vrienden. De wens wordt steeds verder uitgebreid naar alle levende wezens. Er wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke wezens, grote en kleine wezens, zichtbare en onzichtbare wezens, wezens dichtbij en ver weg en wezens die geboren zijn of nog geboren zullen worden.

Daarmee krijgt mettā een universeel karakter.

Het betekent overigens niet dat iemand iedere andere persoon aardig moet vinden. Dat is een belangrijk verschil. Je kunt iemand onaangenaam vinden, boos op iemand zijn of afstand houden van iemand die schadelijk gedrag vertoont, zonder die persoon daarom kwaad toe te wensen.

Mettā gaat dus niet over het ontkennen van grenzen of het goedpraten van schadelijk gedrag. Het gaat om het loslaten van de wens dat een ander moet lijden.

De beroemde passage over de moeder en haar kind

Een van de bekendste beelden uit het Metta Sutta is dat van een moeder die haar enige kind met haar leven beschermt.

De tekst gebruikt dit als vergelijking voor de manier waarop een beoefenaar een grenzeloze houding van welwillendheid tegenover levende wezens zou moeten ontwikkelen.

Dit beeld is krachtig omdat het niet alleen over een gedachte gaat. De tekst beschrijft een houding die zo ruim wordt dat de beoefenaar het welzijn van alle levende wezens op een vergelijkbare manier leert omvatten.

Tegelijkertijd is het goed om voorzichtig te zijn met moderne vertalingen van deze passage. Vertalingen verschillen behoorlijk. Sommige vertalers kiezen voor “loving-kindness”, anderen voor “good will”, “friendliness” of vergelijkbare termen. Dat komt doordat één Nederlands woord niet alle betekenislagen van mettā kan weergeven.

Het Metta Sutta gaat niet alleen over meditatie

Een interessant aspect van de tekst is dat het eerste gedeelte gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.

Voordat het Metta Sutta spreekt over het ontwikkelen van een grenzeloze houding van welwillendheid, beschrijft het een aantal eigenschappen van iemand die het pad naar vrede wil volgen. Zo wordt gesproken over eerlijkheid, oprechtheid, bescheidenheid, tevredenheid, eenvoud en het vermijden van gedrag waarvoor verstandige mensen iemand terecht zouden kunnen wijzen.

Dat laat iets belangrijks zien over de plaats van mettā binnen het boeddhisme.

Mettā is niet simpelweg een ontspanningsoefening waarbij iemand een paar vriendelijke zinnen herhaalt. In de tekst staat de beoefening ingebed in een bredere manier van leven.

Wie anderen schade blijft berokkenen, bedriegen of vernederen en vervolgens alleen tijdens meditatie vriendelijke gedachten probeert op te roepen, volgt niet de volledige strekking van het Metta Sutta. De tekst koppelt innerlijke ontwikkeling aan het daadwerkelijke gedrag van de beoefenaar.

Mettā en het vermijden van haat

Een centrale gedachte in het Metta Sutta is dat men een ander geen kwaad moet toewensen vanuit boosheid of vijandigheid.

Dat is subtieler dan simpelweg zeggen dat boosheid “verboden” is. De tekst richt zich vooral op wat iemand met die boosheid doet en welke mentale houding hij ontwikkelt. Er wordt opgeroepen om niet vanuit woede of afkeer te wensen dat een ander schade ondervindt.

Dit sluit aan bij een breder patroon in de vroege boeddhistische leer: negatieve mentale toestanden worden niet alleen gezien als iets dat anderen kan beschadigen, maar ook als iets dat het eigen bewustzijn gevangen kan houden.

Mettā is in dat opzicht niet alleen een geschenk aan anderen. Het is ook een manier om een geest die wordt beheerst door vijandigheid, wrok en afkeer te veranderen.

Mettā en de vier brahmavihāra's

Mettā wordt binnen de boeddhistische traditie vaak besproken als een van de vier brahmavihāra's.

De vier zijn:

  • mettā — liefdevolle vriendelijkheid of welwillendheid;
  • karuṇā — mededogen;
  • muditā — meevoelende vreugde, of vreugde om het geluk van anderen;
  • upekkhā — gelijkmoedigheid.

Deze vier kwaliteiten zijn nauw met elkaar verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde.

Bij mettā gaat het om de wens dat wezens gelukkig en veilig zijn. Bij karuṇā staat het verlangen centraal dat wezens vrij zijn van lijden. Muditā betekent dat je het geluk en succes van anderen kunt verwelkomen zonder jaloezie. Upekkhā verwijst naar een evenwichtige geest die niet voortdurend wordt meegesleept door voorkeur en afkeer.

Het Metta Sutta zelf is vooral gericht op mettā, maar de manier waarop de tekst spreekt over alle levende wezens past binnen deze bredere ontwikkeling van de geest.

Waarom worden alle levende wezens genoemd?

De tekst maakt een opvallend lange opsomming van verschillende soorten wezens. Dat heeft een functie.

De beoefenaar mag zijn welwillendheid niet beperken tot een kleine groep mensen. Niet alleen familie, vrienden of mensen die hetzelfde denken komen in aanmerking. De tekst noemt juist allerlei categorieën en sluit uiteindelijk niemand uit.

Dat past bij een belangrijk idee binnen de boeddhistische beoefening: de geest moet zich steeds minder laten bepalen door persoonlijke voorkeur.

In eerste instantie is het vaak gemakkelijker om iemand het beste te wensen als we die persoon aardig vinden. Veel moeilijker is het om dezelfde houding te ontwikkelen tegenover een vreemde, iemand met wie we ruzie hebben of iemand die we liever niet mogen.

Daarom is de universaliteit van mettā niet zomaar een mooie toevoeging aan de tekst. Ze vormt een belangrijk onderdeel van de oefening.

Het verhaal achter het Metta Sutta

Er bestaat een bekend verhaal over de aanleiding voor het ontstaan of onderwijzen van het Metta Sutta.

Volgens de boeddhistische overlevering trokken een groep monniken naar een bos om daar de regentijd door te brengen en te mediteren. De wezens die volgens het verhaal in het bos woonden, waren daar niet blij mee en probeerden de monniken bang te maken. De monniken keerden daarop terug naar de Boeddha en vertelden wat er was gebeurd.

De Boeddha zou hen vervolgens het Metta Sutta hebben geleerd en hen hebben opgedragen ermee terug te keren naar het bos. Door mettā te ontwikkelen zouden de monniken uiteindelijk vreedzaam in het bos hebben kunnen verblijven.

Hier is een belangrijk onderscheid nodig.

Het verhaal is onderdeel van de boeddhistische commentariële traditie. Het is niet hetzelfde als de inhoud van het Metta Sutta zelf. De tekst van de sutta vertelt niet uitgebreid het volledige verhaal zoals dat later in commentaren wordt aangetroffen.

Dat betekent dat je het verhaal niet zonder meer als een historisch verslag moet presenteren. Binnen de Theravada-traditie heeft het wel degelijk religieuze betekenis en helpt het verklaren waarom de tekst ook als beschermende recitatie, of paritta, wordt gebruikt.

Het Metta Sutta als beschermende tekst

In veel Theravada-gemeenschappen wordt het Metta Sutta niet alleen bestudeerd of gebruikt voor meditatie. Het wordt ook gereciteerd als beschermende tekst.

Dat gebruik sluit aan bij de overlevering waarin de monniken het Metta Sutta meekrijgen naar het bos. De gedachte is daarbij niet simpelweg dat de woorden zelf een soort magische bescherming vormen. De ontwikkeling en het uitstralen van mettā spelen binnen de traditionele interpretatie een belangrijke rol.

In de Theravada-traditie maakt het Metta Sutta daardoor deel uit van een bredere praktijk waarin bepaalde boeddhistische teksten worden gereciteerd bij verschillende gelegenheden.

Dit is een goed voorbeeld van iets wat in moderne westerse uitleg soms verloren gaat. Het Metta Sutta is niet uitsluitend een meditatie-instructie in de moderne psychologische betekenis van het woord. Binnen de levende boeddhistische traditie kan dezelfde tekst verschillende functies hebben: onderricht, meditatie, recitatie en bescherming.

Mettā als meditatie

Naast het reciteren van het Metta Sutta bestaat er een uitgebreide beoefening die mettā-bhāvanā wordt genoemd.

Bhāvanā betekent in deze context zoiets als ontwikkelen of cultiveren. Mettā-bhāvanā betekent dus het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid.

In latere Theravada-literatuur zijn verschillende methoden ontwikkeld om deze kwaliteit systematisch te beoefenen. Een beoefenaar kan bijvoorbeeld beginnen met het ontwikkelen van mettā voor zichzelf, vervolgens voor iemand die hij gemakkelijk aardig vindt, daarna voor neutrale personen en uiteindelijk voor mensen tegenover wie hij weerstand of vijandigheid voelt. Vanuit daar kan de beoefening worden uitgebreid naar alle levende wezens. De klassieke Theravada-literatuur, waaronder werken die in verband staan met de Visuddhimagga, werkt deze meditatie verder uit.

Het Metta Sutta zelf geeft niet zo'n uitgebreid stappenplan. Het beschrijft vooral de houding die ontwikkeld moet worden en de grenzeloosheid ervan.

Dat verschil is belangrijk: het Metta Sutta en de latere systematische methoden van mettā-meditatie zijn nauw met elkaar verbonden, maar zijn niet precies hetzelfde.

Is mettā hetzelfde als compassie?

Nee.

De twee begrippen liggen dicht bij elkaar, maar hebben een ander accent.

Mettā is de wens dat een ander gelukkig en veilig is.

Karuṇā, meestal vertaald als mededogen, is de wens dat een ander vrij komt van lijden.

Je kunt het verschil zien aan twee eenvoudige gedachten:

“Moge je gelukkig zijn.”

en:

“Moge je vrij zijn van lijden.”

In de praktijk lopen beide houdingen natuurlijk vaak door elkaar heen. Wie iemand werkelijk welzijn toewenst, zal meestal ook willen dat die persoon niet hoeft te lijden.

Toch is het onderscheid binnen de boeddhistische tradities relevant, omdat mettā, karuṇā, muditā en upekkhā samen verschillende kanten van een evenwichtige geest beschrijven.

Mettā betekent niet dat je alles moet accepteren

Een modern misverstand is dat liefdevolle vriendelijkheid betekent dat je iedereen moet vergeven, iedereen aardig moet vinden of altijd zacht moet reageren.

Dat volgt niet uit het Metta Sutta.

De tekst benadrukt juist dat iemand geen kwaad moet doen en geen ander kwaad moet toewensen. Dat betekent niet dat schadelijk gedrag geen grenzen nodig heeft.

Je kunt bijvoorbeeld besluiten contact met iemand te verbreken omdat die persoon je slecht behandelt. Je kunt iemand aanspreken op gedrag. Je kunt zelfs ingrijpen om te voorkomen dat iemand anderen schade toebrengt.

Het verschil zit in de houding waarmee je dat doet.

Mettā vraagt niet om passiviteit. Het vraagt om het loslaten van vijandigheid en de wens om een ander te laten lijden.

Mettā en de moderne westerse betekenis van “liefde”

In het Westen wordt mettā tegenwoordig vaak verbonden met meditatie, welzijn en mentale gezondheid. Dat kan een bruikbare ingang zijn, maar het kan ook een deel van de oorspronkelijke betekenis verbergen.

Het Metta Sutta spreekt namelijk niet alleen over hoe je je beter kunt voelen. Het verbindt mettā met ethiek, discipline, inzicht en bevrijding. Aan het einde van de tekst wordt zelfs gesproken over het loslaten van verkeerde zienswijzen, het ontwikkelen van inzicht en het beëindigen van zintuiglijke begeerte, waarna wedergeboorte wordt beëindigd.

Dat laatste gedeelte is vooral belangrijk.

Het Metta Sutta is daarmee geen losstaande tekst over “positief denken”. Binnen zijn oorspronkelijke boeddhistische context maakt mettā deel uit van een veel groter spiritueel pad.

Waarom eindigt het Metta Sutta met bevrijding?

Op het eerste gezicht lijkt de laatste passage misschien vreemd. Eerst gaat de tekst uitgebreid over vriendelijkheid tegenover alle levende wezens, maar aan het einde komen onderwerpen als inzicht, begeerte en wedergeboorte aan bod.

Dat is juist veelzeggend.

In de vroege boeddhistische leer is meditatie niet alleen bedoeld om iemand tijdelijk kalmer of aardiger te maken. Het uiteindelijke doel is bevrijding uit saṃsāra, de cyclus van wedergeboorte en lijden.

Het Metta Sutta plaatst mettā daarom binnen een groter geheel. Een beoefenaar ontwikkelt een geest die vrijer is van vijandigheid en kwaadwillendheid, maar dit staat niet los van ethiek en inzicht. De tekst eindigt met de gedachte dat iemand die de juiste zienswijze heeft ontwikkeld, deugdzaam is en begeerte naar zintuiglijke genoegens heeft overwonnen, niet opnieuw geboren wordt.

Dit is een van de minder vaak besproken aspecten van het Metta Sutta. De tekst is veel meer dan een korte instructie om aardiger voor anderen te zijn.

Het Metta Sutta binnen verschillende boeddhistische tradities

Het Metta Sutta behoort tot de Pali-canon en heeft daardoor vooral een directe plaats binnen het Theravada-boeddhisme.

Dat betekent niet dat het idee van mettā beperkt is tot Theravada. Het ontwikkelen van welwillendheid tegenover levende wezens is onderdeel van een veel bredere boeddhistische geschiedenis. Het verwante Sanskrietbegrip maitrī speelt bijvoorbeeld ook een belangrijke rol binnen Mahayana-boeddhistische tradities.

Wel moet je oppassen om te zeggen dat iedere boeddhistische stroming het Metta Sutta op precies dezelfde manier gebruikt. De specifieke tekst, de plaats ervan in de canon en de rituele toepassingen zijn sterk verbonden met de Pali-traditie en vooral met Theravada.

Ook binnen Theravada bestaan verschillende manieren om mettā te beoefenen en te interpreteren. Sommige gemeenschappen leggen sterk de nadruk op meditatie, andere op recitatie en de beschermende functie van de tekst.

Hoe kun je het Metta Sutta vandaag gebruiken?

Voor iemand die het Metta Sutta vandaag wil beoefenen, hoeft de tekst niet alleen een religieuze recitatie te zijn.

Je kunt de kern ervan bijvoorbeeld gebruiken als uitgangspunt voor meditatie. Ga rustig zitten en breng een persoon in gedachten voor wie je van nature goede gevoelens hebt. Ontwikkel vervolgens de wens dat deze persoon veilig is, vrij van onnodig lijden en welzijn ervaart.

Daarna kun je de kring uitbreiden.

Denk aan iemand die je nauwelijks kent. Vervolgens aan iemand tegenover wie je neutraal bent. Later kun je proberen dezelfde wens te ontwikkelen tegenover iemand met wie je moeite hebt.

Het laatste kan behoorlijk lastig zijn. Juist daarom is het vaak een interessanter onderdeel van de oefening dan alleen goede gedachten oproepen voor mensen van wie je al houdt.

Het doel is niet om jezelf ervan te overtuigen dat iemand die je niet mag eigenlijk geweldig is. Het gaat erom dat je probeert de automatische wens naar schade, vergelding of ongeluk los te laten.

Een korte kernzin uit het Metta Sutta

Een van de centrale gedachten van de tekst kan in het Nederlands worden weergegeven als:

Mogen alle levende wezens gelukkig en veilig zijn.

De precieze vertaling verschilt per vertaler. Dat is niet onbelangrijk, want woorden als mettā, sukha en andere Pali-termen hebben betekenislagen die niet altijd volledig in één Nederlands woord passen. Verschillende vertalingen van het Metta Sutta gebruiken daarom woorden als “gelukkig”, “welzijn”, “veilig”, “vrede”, “rust” en “welwillendheid”.

Het is daarom vaak nuttiger om meerdere vertalingen naast elkaar te bekijken dan te zoeken naar één vertaling die zogenaamd de enige juiste is.

Wat kunnen we van het Metta Sutta leren?

Het Metta Sutta laat zien dat boeddhistische liefdevolle vriendelijkheid veel verder gaat dan aardig zijn.

Het begint bij hoe iemand leeft. Vervolgens gaat het over de manier waarop iemand met anderen omgaat en over de ontwikkeling van een bepaalde houding van de geest. Die houding wordt steeds verder uitgebreid totdat ze geen onderscheid meer maakt tussen mensen die we wel of niet aardig vinden.

Daarmee raakt het Metta Sutta aan een van de grotere vragen binnen het boeddhisme: hoe verander je een geest die voortdurend wordt gestuurd door verlangen, afkeer en persoonlijke voorkeur?

Het antwoord van de tekst is niet dat je simpelweg moet proberen om positieve gedachten te hebben. Je oefent een andere manier van kijken en reageren, totdat welwillendheid steeds minder afhankelijk wordt van persoonlijke voorkeur.

En misschien is dat precies waarom een relatief korte tekst al eeuwenlang zo'n grote rol speelt. Het Metta Sutta geeft geen ingewikkelde filosofische theorie over liefde. Het stelt een veel praktischer uitdaging: kun je leren het welzijn van anderen te wensen, ook wanneer je daar normaal gesproken geen aanleiding toe voelt?

Dat maakt het Metta Sutta niet alleen tot een bekende boeddhistische tekst, maar ook tot een concrete oefening in het omgaan met boosheid, afkeer, voorkeur en verbondenheid.