Boeddhisme & Psychologie

Waarom worden we boos om sommige dingen, terwijl andere gebeurtenissen ons nauwelijks raken? Waarom blijven bepaalde gedachten zich herhalen? En waarom kan iets wat ons gisteren gelukkig maakte vandaag alweer zijn aantrekkingskracht verliezen?

Dit soort vragen zijn niet pas door de moderne psychologie gesteld. Al vroeg in de geschiedenis van het boeddhisme werd uitgebreid nagedacht over waarneming, emoties, verlangen, aandacht, gewoontevorming en het ontstaan van lijden. De boeddhistische traditie ontwikkelde zelfs zeer gedetailleerde beschrijvingen van mentale processen.

Toch is boeddhistische psychologie niet simpelweg hetzelfde als moderne psychologie. Het zijn twee verschillende manieren om de menselijke geest te onderzoeken. De moderne psychologie is een empirische wetenschap die werkt met bijvoorbeeld experimenten, observaties en statistische analyses. Het boeddhisme onderzoekt de geest vooral vanuit een filosofisch, meditatief en religieus kader, met als doel niet alleen begrijpen hoe de geest werkt, maar ook bevrijding van lijden.

Juist daar ontstaat een interessante ontmoeting. Sommige boeddhistische ideeën hebben overeenkomsten met inzichten uit de psychologie, terwijl andere uitgangspunten veel verder gaan dan wat de moderne psychologie probeert te onderzoeken.

Wat wordt bedoeld met boeddhistische psychologie?

Met boeddhistische psychologie wordt meestal verwezen naar de manier waarop boeddhistische tradities de menselijke geest, emoties, waarneming en het ontstaan van lijden beschrijven.

Het is geen afzonderlijke wetenschap die door de Boeddha als “psychologie” werd opgericht. Het woord psychologie komt uit een veel latere westerse traditie. Wel bevatten de vroegste boeddhistische teksten al een uitgebreide analyse van mentale processen.

Een belangrijk uitgangspunt is dat wat wij als “ik” ervaren niet wordt gezien als een onveranderlijke kern die achter al onze ervaringen zit. In plaats daarvan wordt de mens geanalyseerd als een voortdurend veranderend geheel van lichamelijke en mentale processen. De boeddhistische leer van anattā, vaak vertaald als “niet-zelf”, speelt hierin een belangrijke rol.

Dat betekent overigens niet simpelweg dat het boeddhisme zegt: “het zelf bestaat niet.” De gedachte is subtieler. Het boeddhisme vraagt wat er precies bedoeld wordt met een blijvend, onafhankelijk zelf en onderzoekt vervolgens of zo'n onveranderlijke kern in onze ervaring kan worden gevonden.

Daarmee verschuift de vraag van:

“Wie ben ik?”

naar bijvoorbeeld:

“Hoe ontstaat de ervaring dat er een ‘ik’ is?”

Dat is een van de punten waarop boeddhistische psychologie bijzonder interessant wordt.

Het uitgangspunt: waarom lijden we?

De boeddhistische analyse van de geest begint niet met de vraag hoe mensen zo gelukkig mogelijk kunnen worden. Het vertrekpunt is dukkha: het onbevredigende of problematische karakter van het bestaan.

Volgens de Vier Edele Waarheden is er lijden of onbevredigdheid, heeft dit oorzaken, is er een mogelijkheid tot het beëindigen ervan en bestaat er een weg die daarheen leidt.

Een belangrijk onderdeel van die analyse is dat onze reactie op ervaringen vaak méér lijden veroorzaakt dan de ervaring zelf.

Stel dat iemand een vervelende opmerking tegen je maakt. Er is eerst simpelweg het horen van woorden. Daarna kan er een onaangenaam gevoel ontstaan. Vervolgens kan de geest reageren:

“Hoe durft hij dat te zeggen?”

Daarna komen misschien herinneringen, boosheid, fantasieën over wat je had moeten zeggen en zorgen over wat de ander van je denkt.

De oorspronkelijke gebeurtenis en de mentale reacties daarop zijn niet precies hetzelfde.

Dat onderscheid is belangrijk binnen de boeddhistische analyse. In de Satipaṭṭhāna Sutta wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen lichamelijke ervaring, gevoelens, de toestand van de geest en mentale verschijnselen.

Gevoel is in het boeddhisme niet hetzelfde als emotie

Een interessant voorbeeld is het Pali-woord vedanā.

Vedanā wordt vaak vertaald als “gevoel”, maar dat kan misleidend zijn. In de boeddhistische context gaat het in veel gevallen om de affectieve toon van een ervaring: deze wordt als aangenaam, onaangenaam of neutraal ervaren. Het betekent dus niet precies hetzelfde als wat wij in het dagelijks Nederlands met een complexe emotie bedoelen.

Dat maakt een verschil.

Neem een kop koffie.

Je proeft hem en ervaart een aangename sensatie. Dat aangename karakter is één aspect. Vervolgens kan de geest denken:

“Dit is lekker. Ik wil nog een kop.”

De oorspronkelijke aangename ervaring en het verlangen ernaar zijn daarmee niet identiek.

Het boeddhisme is juist geïnteresseerd in wat er tussen die stappen gebeurt.

Een ervaring ontstaat. Er is een bepaalde gevoelskwaliteit. De geest reageert erop. Er kan verlangen of afkeer ontstaan. Vervolgens kan daar gehechtheid uit voortkomen.

De beoefening probeert die processen steeds beter waar te nemen.

De geest observeren zonder er onmiddellijk naar te handelen

Dit is een van de belangrijkste raakvlakken tussen boeddhistische meditatie en moderne psychologie.

In de Satipaṭṭhāna Sutta wordt beschreven hoe iemand bijvoorbeeld kan herkennen dat de geest op een bepaald moment begeerte bevat, boos is, verward is, geconcentreerd is of juist verstrooid is. Het gaat niet alleen om het veranderen van die toestand, maar eerst om het herkennen ervan.

Dat klinkt eenvoudig, maar er zit een belangrijke gedachte achter.

Wanneer je denkt:

“Ik ben boos”

lijkt de boosheid onderdeel te zijn van wie je bent.

Wanneer je leert herkennen:

“Er is boosheid aanwezig”

ontstaat er iets meer afstand tussen de ervaring en het idee van een vaststaand zelf.

Dat betekent niet dat je de boosheid moet onderdrukken. Je probeert haar juist nauwkeuriger te zien: hoe voelt ze lichamelijk, welke gedachten komen erbij op, wat gebeurt er met aandacht en welke neiging tot handelen ontstaat?

In de boeddhistische beoefening is dit geen puur theoretische oefening. Het is een manier om inzicht te ontwikkelen in hoe mentale processen ontstaan en verdwijnen.

De geest als proces, niet als vaststaand ding

Hier ligt een fundamenteel verschil met een alledaags idee over de menselijke geest.

We spreken gemakkelijk over “mijn persoonlijkheid”, “mijn karakter” of “mijn emoties”, alsof daar ergens een vaste persoon achter zit die al die dingen bezit.

Boeddhistische denkers hebben juist veel aandacht besteed aan de vraag hoe zo'n gevoel van continuïteit ontstaat.

In vroege boeddhistische analyses worden onder andere vorm, gevoel, waarneming, mentale formaties en bewustzijn onderscheiden. Deze vijf groepen worden de vijf khandha's genoemd. De Satipaṭṭhāna Sutta gebruikt deze categorieën eveneens in haar analyse van ervaring.

Het doel daarvan is niet om de mens in vijf letterlijke onderdelen op te knippen. Het is een manier om ervaring te onderzoeken.

Wanneer je bijvoorbeeld denkt:

“Ik ben een jaloers persoon”

kun je vanuit dit perspectief onderzoeken wat er feitelijk gebeurt. Er zijn lichamelijke reacties, gevoelens, herinneringen, interpretaties, gedachten en bewustzijn. Die processen veranderen voortdurend.

De conclusie is niet dat de persoon daarom helemaal niet bestaat. De vraag is eerder of we werkelijk een onveranderlijke “eigenaar” van al deze processen kunnen aanwijzen.

Waarom is dat psychologisch interessant?

Omdat het een andere manier biedt om naar gedachten en emoties te kijken.

In het dagelijks leven nemen we onze gedachten vaak behoorlijk serieus.

“Ik ga dit nooit kunnen.”

“Hij respecteert mij niet.”

“Zo ben ik nu eenmaal.”

“Alles gaat mis.”

Een boeddhistische benadering kan vragen: wat is dit eigenlijk?

Is het een feit? Een herinnering? Een interpretatie? Een verwachting? Een automatische reactie? Een gevoel dat door een gedachte wordt versterkt?

Dat betekent niet dat iedere negatieve gedachte onwaar is. Het betekent dat een gedachte als mentale gebeurtenis kan worden onderzocht in plaats van automatisch als werkelijkheid te worden behandeld.

Dat sluit aan bij bepaalde psychologische benaderingen, maar het is belangrijk om daar niet te snel de conclusie uit te trekken dat de Boeddha daarmee al moderne cognitieve gedragstherapie ontwikkelde. Dat zou de historische verschillen wegpoetsen.

Abhidharma: een steeds fijnere analyse van de geest

Na de vroege boeddhistische periode werd de analyse van mentale processen verder uitgewerkt.

Vooral de Abhidharma-tradities ontwikkelden uitgebreide systemen om ervaring onder te verdelen in verschillende mentale en lichamelijke verschijnselen. Deze ontwikkeling vond plaats over meerdere eeuwen.

Daarbij werden bijvoorbeeld verschillende vormen van bewustzijn en mentale factoren onderscheiden. Het doel was onder andere om te begrijpen welke mentale toestanden samen optreden, welke schadelijk zijn en welke juist bijdragen aan bevrijding.

Hier wordt duidelijk waarom “boeddhistische psychologie” meer is dan alleen mindfulness.

De boeddhistische analyse gaat ook over:

  • waarneming;
  • aandacht;
  • verlangen;
  • afkeer;
  • gewoontevorming;
  • bewustzijn;
  • emoties;
  • intentie;
  • gehechtheid;
  • moreel gedrag;
  • en de manier waarop mentale processen elkaar beïnvloeden.

Verschillende boeddhistische scholen ontwikkelden vervolgens hun eigen modellen.

Yogācāra en de analyse van bewustzijn

Een bijzonder interessante ontwikkeling ontstond binnen het Mahayana-boeddhisme, vooral in de Yogācāra-traditie.

Yogācāra was sterk gericht op de aard en structuur van bewustzijn. Waar eerdere Abhidharma-modellen bijvoorbeeld zes vormen van bewustzijn onderscheiden — gekoppeld aan de vijf zintuigen en het mentale bewustzijn — ontwikkelde Yogācāra een model met acht vormen van bewustzijn.

Een bekend onderdeel daarvan is ālayavijñāna, vaak vertaald als “opslagbewustzijn” of “storehouse consciousness”.

Dit begrip werd gebruikt om te verklaren hoe eerdere ervaringen en karmische tendensen invloed kunnen hebben op latere ervaringen en gedrag. De precieze interpretatie verschilt binnen de Yogācāra-traditie en het is niet juist om ālayavijñāna simpelweg gelijk te stellen aan het moderne begrip “onderbewuste”.

Dat laatste is een veelgemaakte fout.

Het lijkt soms aantrekkelijk om oude boeddhistische begrippen één-op-één te vertalen naar moderne psychologische concepten, maar daarmee verdwijnen belangrijke verschillen. Een boeddhistisch begrip kan bijvoorbeeld onderdeel zijn van een religieus systeem waarin karma, wedergeboorte en bevrijding een rol spelen. Dat kader ontbreekt in veel moderne psychologische theorieën.

Wat heeft mindfulness met psychologie te maken?

Van alle boeddhistische ideeën is mindfulness, vaak verbonden met het Pali-woord sati, waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van de ontmoeting tussen boeddhisme en moderne psychologie.

In de Satipaṭṭhāna Sutta vormt mindfulness onderdeel van een veel bredere beoefening waarin het lichaam, gevoelens, de geest en verschillende mentale verschijnselen worden onderzocht.

Moderne mindfulnessprogramma's hebben daaruit bepaalde praktijken overgenomen en aangepast aan een seculiere en vaak klinische omgeving.

Dat heeft geleid tot programma's zoals Mindfulness-Based Stress Reduction (MBSR) en Mindfulness-Based Cognitive Therapy (MBCT). De laatste werd onder meer ontwikkeld om mensen te helpen bij het voorkomen van terugkerende depressieve episodes.

Maar moderne mindfulness is niet hetzelfde als boeddhistische beoefening.

Dat verschil is belangrijk.

Boeddhistische mindfulness is meer dan aandacht voor het huidige moment

Mindfulness wordt tegenwoordig vaak uitgelegd als “aandacht hebben voor het huidige moment zonder oordeel”.

Dat is bruikbaar als eenvoudige introductie, maar het is geen volledige beschrijving van de boeddhistische context.

Binnen het boeddhisme staat mindfulness niet los van ethiek, concentratie, inzicht en de bredere weg naar bevrijding.

Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om het opmerken van een gedachte, maar om inzicht krijgen in hoe ervaringen ontstaan en verdwijnen en hoe begeerte en gehechtheid bijdragen aan lijden.

Daarom kan dezelfde meditatieoefening in twee verschillende contexten een ander doel hebben.

Iemand kan mindfulness gebruiken om tijdens een drukke werkdag minder gestrest te zijn. Dat kan waardevol zijn.

Een boeddhistische beoefenaar kan dezelfde aandachtstraining gebruiken als onderdeel van een veel grotere oefening die uiteindelijk gericht is op inzicht in vergankelijkheid, niet-zelf en het beëindigen van gehechtheid.

Beide toepassingen kunnen bestaan, maar ze zijn niet hetzelfde.

Onderzoekers en psychologen hebben deze verschillen ook benadrukt. In de moderne psychologie is mindfulness een eigen, geoperationaliseerd begrip geworden, terwijl het boeddhistische concept deel uitmaakt van een veel groter religieus en filosofisch systeem.

Werkt mindfulness volgens de psychologie?

Hier is voorzichtigheid op zijn plaats.

Er is inmiddels behoorlijk veel onderzoek naar mindfulness en meditatie. Een meta-analyse van 47 onderzoeken met in totaal 3.515 deelnemers vond aanwijzingen voor kleine tot matige verbeteringen in onder meer angst, depressieve klachten en pijn, maar vond geen overtuigend bewijs dat meditatie beter werkte dan andere actieve behandelingen.

Een andere meta-analyse naar mindfulness bij veelvoorkomende psychiatrische aandoeningen concludeerde juist dat de bewijskracht voor verschillende aandoeningen beperkt was en dat mindfulness niet duidelijk beter presteerde dan andere actieve behandelingen.

Recente onderzoeken blijven het beeld verder verfijnen. Een meta-analyse uit 2026 vond bijvoorbeeld positieve effecten van zogenaamde “second-generation” mindfulnessinterventies op depressie- en angstklachten, maar wees er ook op dat veel onderzoeken methodologische beperkingen hadden.

De redelijke conclusie is daarom niet:

“Mindfulness geneest psychische problemen.”

Maar eerder:

“Bepaalde mindfulnessinterventies kunnen voor sommige mensen helpen bij bepaalde psychologische klachten, maar de effecten verschillen per situatie en mindfulness is geen vervanging voor iedere vorm van psychologische behandeling.”

Kan meditatie ook moeilijk of onaangenaam zijn?

Het populaire beeld van meditatie als iets dat uitsluitend rust en ontspanning oplevert, is te simpel.

Meditatie kan ook confronterende ervaringen naar boven brengen. Onderzoek naar ongewenste effecten van meditatie heeft bijvoorbeeld angst, somberheid en veranderingen in de cognitieve ervaring beschreven. Een systematische review uit 2020 vond in de onderzochte literatuur dat dergelijke effecten voorkwamen, hoewel de cijfers sterk verschilden afhankelijk van de onderzoeksmethode.

Recent onderzoek benadrukt bovendien dat tijdelijke onaangename ervaringen tijdens meditatie niet automatisch betekenen dat iemand schade heeft opgelopen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mogelijke negatieve effecten serieus worden genomen, zeker bij intensieve beoefening of wanneer iemand al psychische problemen heeft.

Dit past eigenlijk goed bij een belangrijk boeddhistisch inzicht: meditatie betekent niet noodzakelijk dat je alleen prettige toestanden zult ervaren.

Je leert juist beter zien wat er in de geest gebeurt.

Dat kan soms rustig en prettig zijn, maar soms ook ongemakkelijk.

Boeddhisme en cognitieve gedragstherapie

Er zijn duidelijke raakvlakken tussen sommige boeddhistische ideeën en cognitieve gedragstherapie.

Beide kunnen bijvoorbeeld aandacht besteden aan automatische gedachten, reacties en gedragspatronen. Beide kunnen iemand leren om niet iedere mentale gebeurtenis automatisch te volgen.

Toch zijn de doelen verschillend.

Cognitieve gedragstherapie is een vorm van psychotherapie die gericht is op psychische problemen en functioneren. Het kan bijvoorbeeld helpen om problematische denk- en gedragspatronen te herkennen en te veranderen.

Het boeddhisme heeft een veel breder doel. Het onderzoekt niet alleen waarom iemand zich psychologisch slecht voelt, maar stelt fundamentele vragen over gehechtheid, vergankelijkheid, het zelf en de aard van lijden.

Het uitgangspunt is dus niet simpelweg:

“Hoe kan ik beter leren denken?”

Maar uiteindelijk:

“Waarom ontstaat gehechtheid überhaupt, en wat is nodig om ervan bevrijd te raken?”

Dat is een veel radicalere vraag.

Een belangrijk verschil: het boeddhisme probeert niet alleen een gezond ego te ontwikkelen

Dit is misschien een van de interessantste verschillen tussen psychologie en boeddhisme.

Veel vormen van psychologie proberen iemand te helpen om beter te functioneren als persoon. Een sterker zelfbeeld, betere relaties, betere emotieregulatie en meer psychologische flexibiliteit kunnen allemaal waardevol zijn.

Het boeddhisme gaat uiteindelijk nog een stap verder.

Het stelt vragen bij het idee dat het “zelf” dat we proberen te verbeteren volledig vanzelfsprekend is.

Dat betekent niet dat een boeddhist geen persoonlijkheid, identiteit of zelfbeeld heeft. In het dagelijks leven functioneren die gewoon.

Het punt is dat we er niet noodzakelijk aan hoeven vast te houden alsof ze een onveranderlijke werkelijkheid vormen.

Iemand kan bijvoorbeeld jarenlang denken:

“Ik ben nu eenmaal een angstig persoon.”

Vanuit een boeddhistisch perspectief kan die uitspraak worden onderzocht. Angst kan aanwezig zijn, maar ze ontstaat afhankelijk van omstandigheden en verandert ook weer. Hetzelfde geldt voor gedachten, stemmingen en zelfbeelden.

Daarmee ontstaat ruimte tussen een ervaring en een vaste identiteit.

Verschillen tussen boeddhistische tradities

Niet iedere boeddhistische traditie analyseert de geest op dezelfde manier.

Binnen het Theravada spelen de vroege boeddhistische teksten en Abhidhamma-tradities een belangrijke rol. Meditatieve analyse van lichaam, gevoelens, geest en mentale verschijnselen heeft hier een prominente plaats.

Binnen verschillende Mahayana-tradities ontstonden aanvullende theorieën over bewustzijn en mentale processen. Yogācāra is daar een duidelijk voorbeeld van.

Binnen Zen ligt vaak meer nadruk op directe beoefening en inzicht, hoewel ook daar verschillende filosofische en psychologische interpretaties bestaan.

Binnen Vajrayana worden weer andere methoden gebruikt, waaronder visualisatie en specifieke vormen van meditatie die verbonden zijn met tantrische tradities.

Het is daarom te simpel om te zeggen dat “de boeddhistische psychologie” één vast model van de menselijke geest heeft. Er bestaat een lange geschiedenis van verschillende analyses en interpretaties.

Karma als psychologisch principe?

Ook karma kan vanuit psychologisch perspectief interessant worden bekeken, maar hier moet onderscheid worden gemaakt.

In de boeddhistische tradities heeft karma een religieuze en ethische betekenis. In veel boeddhistische systemen gaat het om intentioneel handelen en de gevolgen daarvan, waarbij karma bovendien verbonden kan zijn met wedergeboorte.

In moderne populaire uitleg wordt karma soms teruggebracht tot:

“Wat je doet, komt uiteindelijk bij je terug.”

Dat is een flinke vereenvoudiging.

Op psychologisch niveau kun je wel zien hoe herhaald handelen gewoonten vormt. Wie steeds vanuit woede reageert, kan steeds sneller in woede vervallen. Wie aandachtig leert reageren, kan nieuwe patronen ontwikkelen.

Dat lijkt op een deel van de boeddhistische analyse van gewoonte en intentie.

Maar daaruit volgt niet dat moderne psychologie heeft bewezen dat karma in de traditionele boeddhistische betekenis bestaat. Het zijn twee verschillende beweringen.

Is boeddhisme dan een vroege vorm van psychologie?

Nee.

Dat klinkt misschien verleidelijk, zeker omdat sommige boeddhistische ideeën opvallend modern kunnen overkomen. Maar het zou historisch onjuist zijn om het boeddhisme simpelweg als “psychologie avant la lettre” te beschrijven.

De doelen en uitgangspunten verschillen.

Moderne psychologie is ontstaan als wetenschappelijke discipline en kent verschillende scholen en methoden. Boeddhistische tradities zijn religieuze en filosofische tradities waarin ethiek, meditatie, karma, wedergeboorte en bevrijding belangrijke plaatsen kunnen innemen.

Bovendien zijn sommige overeenkomsten pas zichtbaar omdat wij oude ideeën tegenwoordig door een psychologische bril bekijken.

De ontmoeting tussen beide tradities is dus beter te begrijpen als een dialoog tussen twee verschillende manieren om de menselijke geest te onderzoeken.

Waarom is boeddhistische psychologie vandaag nog interessant?

Omdat het boeddhisme een opvallend gedetailleerde manier biedt om naar onze eigen ervaring te kijken.

Je hoeft daarvoor niet meteen alle boeddhistische overtuigingen over te nemen.

Je kunt bijvoorbeeld beginnen met een eenvoudige vraag:

Wat gebeurt er eigenlijk tussen een gebeurtenis en mijn reactie daarop?

Iemand zegt iets vervelends. Je hoort de woorden. Er ontstaat een onaangenaam gevoel. Je interpreteert wat de ander bedoelde. Je herinnert je eerdere situaties. Je voelt boosheid. Vervolgens ontstaat de neiging om iets terug te zeggen.

Als je dat proces nauwkeuriger leert zien, wordt duidelijk dat “ik werd boos” eigenlijk een hele reeks gebeurtenissen beschrijft.

Precies dat soort onderscheidingen staat centraal in veel boeddhistische vormen van meditatie en geestonderzoek.

Boeddhisme en psychologie vullen elkaar niet automatisch aan

Het is verleidelijk om te zeggen dat boeddhisme en psychologie elkaar perfect aanvullen. Ook dat gaat te ver.

Sommige boeddhistische ideeën sluiten goed aan bij psychologisch onderzoek. Andere zijn moeilijk rechtstreeks wetenschappelijk te testen. En weer andere horen thuis binnen een religieus wereldbeeld.

Omgekeerd kan moderne psychologie vragen beantwoorden waar boeddhistische teksten geen antwoord op proberen te geven.

Een psycholoog kan bijvoorbeeld onderzoeken welke therapie gemiddeld het beste werkt bij een bepaalde stoornis. Het boeddhisme stelt eerder vragen over de aard van gehechtheid, bewustzijn en bevrijding.

De twee hoeven daarom niet tot één systeem te worden samengevoegd.

Juist wanneer de verschillen zichtbaar blijven, wordt de vergelijking interessanter.

De belangrijkste gedachte

Misschien is de grootste overeenkomst tussen boeddhistische psychologie en moderne psychologie uiteindelijk niet een specifieke techniek, maar de bereidheid om de menselijke geest nauwkeurig te onderzoeken.

Het boeddhisme doet dat vanuit de vraag hoe lijden ontstaat en hoe iemand zich daarvan kan bevrijden. Moderne psychologie doet het vanuit verschillende wetenschappelijke vragen over gedrag, cognitie, emoties, ontwikkeling en psychisch functioneren.

Daar waar ze elkaar raken, kan dat verrassend veel opleveren.

Mindfulness is daar het bekendste voorbeeld van, maar de geschiedenis is veel breder. Boeddhistische tradities hebben eeuwenlang nagedacht over aandacht, waarneming, verlangen, emoties, gewoontevorming en het gevoel van een zelf.

Tegelijkertijd moeten we oppassen om die ideeën niet achteraf tot moderne psychologie te maken.

Boeddhistische psychologie is interessant juist omdat ze vanuit een ander uitgangspunt naar de geest kijkt. Niet alleen met de vraag hoe we ons beter kunnen voelen, maar ook met de veel diepere vraag waarom we ons aan bepaalde ervaringen, gedachten en beelden van onszelf vastklampen — en wat er gebeurt wanneer we dat steeds beter leren zien.