Anatta

Wie voor het eerst over anatta hoort, kan gemakkelijk denken dat het boeddhisme beweert: “Je bestaat niet.” Maar dat is niet echt wat met anatta wordt bedoeld.

Anatta, in het Pali, wordt meestal vertaald als ‘geen zelf’, ‘niet-zelf’ of ‘zelfloosheid’. Het is een van de belangrijkste inzichten in het vroege boeddhisme en hangt nauw samen met vergankelijkheid, lijden, gehechtheid en bevrijding. De gedachte is niet simpelweg dat een mens niet bestaat, maar dat er in lichaam en geest geen onveranderlijk, zelfstandig en blijvend zelf te vinden is dat we werkelijk kunnen aanwijzen als “ik”. 

Dat klinkt misschien als een klein verschil, maar het heeft grote gevolgen voor hoe het boeddhisme naar de mens kijkt.

Wat betekent anatta?

Het Pali-woord anatta bestaat uit an- en atta. Atta is de Pali-vorm van het Sanskriet ātman, een begrip dat onder meer naar het zelf of de diepste identiteit van een persoon kan verwijzen. Het voorvoegsel an- ontkent of ontkracht dat begrip.

In veel Nederlandse en Engelse vertalingen wordt anatta daarom weergegeven als ‘niet-zelf’ of ‘geen zelf’. ‘Niet-zelf’ heeft daarbij een belangrijk voordeel: het maakt duidelijk dat het boeddhistische onderwijs vooral onderzoekt of iets wat we ervaren terecht als een blijvend zelf kan worden beschouwd. 

Het gaat dus om een vraag als:

Wat bedoelen we eigenlijk wanneer we zeggen: “Dit ben ik”?

Volgens de vroege boeddhistische leer is alles wat we normaal gesproken met dat “ik” verbinden voortdurend aan verandering onderhevig. Ons lichaam verandert, gevoelens veranderen, gedachten komen en verdwijnen en zelfs onze persoonlijkheid is niet volledig hetzelfde als tien of twintig jaar geleden.

Het boeddhisme vraagt vervolgens: als iets voortdurend verandert en niet volledig onder onze controle staat, waarom zouden we het dan beschouwen als een blijvend zelf?

Anatta betekent niet dat je helemaal niet bestaat

Dit is waarschijnlijk het belangrijkste misverstand rond anatta.

Het boeddhisme zegt niet dat er geen mensen zijn, dat je lichaam niet bestaat of dat je dagelijkse leven een illusie is in de betekenis van “alles is letterlijk nep”.

Je kunt jezelf gewoon bij naam noemen. Je kunt zeggen dat je moe bent, dat je gisteren iets hebt gedaan of dat je morgen ergens naartoe gaat. Ook binnen boeddhistische teksten wordt gewoon gesproken over personen en individuen.

Waar de kritiek zich op richt, is het idee dat achter al deze veranderlijke ervaringen een permanent, onafhankelijk en onveranderlijk zelf zit.

De Stanford Encyclopedia of Philosophy beschrijft het verschil als een onderscheid tussen de persoon als een samenhangend geheel van lichamelijke en mentale processen en het idee van een afzonderlijke, blijvende substantie die daarachter zou zitten. 

Dat maakt anatta minder vreemd.

Je hoeft dus niet te denken:

“Ik besta niet.”

De vraag is eerder:

“Is er ergens in mijn ervaring iets te vinden dat werkelijk permanent ‘ik’ genoemd kan worden?”

Volgens de klassieke boeddhistische analyse is het antwoord daarop nee.

De vijf skandha’s: waaruit bestaat een mens?

Om anatta te begrijpen, is het belangrijk om kennis te maken met de vijf skandha’s. In het Pali worden deze khandha’s genoemd. Het woord betekent ongeveer ‘verzamelingen’ of ‘aggregaten’.

De vijf zijn:

  1. Vorm (rūpa) – het lichamelijke aspect, waaronder het lichaam en de materiële zintuigen.
  2. Gevoel (vedanā) – aangename, onaangename of neutrale gewaarwordingen.
  3. Waarneming (saññā) – het herkennen en onderscheiden van wat we ervaren.
  4. Wilsformaties of mentale formaties (saṅkhāra) – allerlei mentale processen, impulsen, neigingen en intentionele activiteiten.
  5. Bewustzijn (viññāṇa) – het bewustzijn van bijvoorbeeld wat we zien, horen, ruiken, proeven, aanraken of denken.

Deze vijf zijn geen vijf afzonderlijke onderdelen die ergens in je lichaam verstopt zitten. Ze zijn een manier om menselijke ervaring analytisch te bekijken.

En precies daar komt anatta om de hoek kijken.

De Boeddha zegt in de Anattalakkhaṇa Sutta (SN 22.59) dat geen van deze vijf een zelf is. Hij onderzoekt achtereenvolgens vorm, gevoel, waarneming, mentale formaties en bewustzijn. Elk daarvan is veranderlijk en onderhevig aan omstandigheden. Daarom is het volgens deze redenering niet passend om te zeggen: “Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.” 

Waarom zijn de vijf skandha’s geen zelf?

De redenering in de Anattalakkhaṇa Sutta is opvallend praktisch.

Neem je lichaam.

Je kunt natuurlijk bepaalde dingen met je lichaam doen. Je kunt sporten, eten, slapen en trainen. Maar je kunt niet volledig bepalen hoe oud je lichaam wordt, wanneer je ziek wordt of hoe het er over twintig jaar uitziet.

Hetzelfde geldt voor je gevoelens. Je kunt niet simpelweg besluiten:

“Vanaf vandaag voel ik nooit meer verdriet.”

Ook gedachten verschijnen niet altijd op commando. Soms komt er ineens een herinnering, angst of gedachte op die je helemaal niet wilde hebben.

Bewustzijn is evenmin volledig onder je controle.

De Boeddha verbindt dit gebrek aan controle met vergankelijkheid. Wat voortdurend verandert en niet volledig aan onze wil gehoorzaamt, kan volgens deze analyse niet worden beschouwd als een blijvend zelf. 

Dat is belangrijk: anatta is dus niet alleen de uitspraak “er is geen zelf”. In de vroege teksten wordt het onderzocht aan de hand van onze daadwerkelijke ervaring.

“Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf”

Een bekende formulering uit de Anattalakkhaṇa Sutta vat de manier waarop de beoefenaar naar de vijf skandha’s moet kijken samen:

“Dit is niet van mij. Dit ben ik niet. Dit is niet mijn zelf.”

De bedoeling daarvan is niet dat iemand zichzelf voortdurend een negatieve gedachte moet aanpraten.

Het is een oefening in het loslaten van identificatie.

Stel dat je merkt dat je boos bent. Normaal gesproken kan daar snel iets achteraan komen als:

“Ik ben boos.”

Vervolgens:

“Hij heeft mij kwaad gemaakt.”

En misschien:

“Zo ben ik nu eenmaal.”

Vanuit het boeddhistische perspectief kun je dezelfde ervaring anders bekijken. Er is woede aanwezig. Er zijn lichamelijke gewaarwordingen, gedachten, herinneringen en impulsen. Maar je hoeft daar niet onmiddellijk een blijvend “ik” van te maken.

Dat verschil kan klein lijken, maar het is precies het soort verschuiving waar de boeddhistische beoefening op gericht is.

Anatta en vergankelijkheid

Anatta kan niet goed los worden gezien van anicca, vergankelijkheid.

Volgens het boeddhisme zijn samengestelde verschijnselen voortdurend aan verandering onderhevig. Dat geldt niet alleen voor grote gebeurtenissen, maar ook voor onze dagelijkse ervaring.

Je lichaam verandert.

Je gevoelens veranderen.

Je gedachten veranderen.

Je voorkeuren veranderen.

Je relaties veranderen.

Je ideeën over jezelf veranderen.

Zelfs het gevoel “dit ben ik” kan veranderen.

De Boeddha gebruikt in de Anattalakkhaṇa Sutta precies deze veranderlijkheid als onderdeel van zijn redenering. Wat vergankelijk is en aan verandering onderhevig is, levert geen stabiele basis voor een permanent zelf. 

Daarmee wordt ook duidelijk waarom anatta verbonden is met dukkha, het derde begrip in de bekende reeks van de drie kenmerken.

Anatta, dukkha en gehechtheid

Als we iets als “ik” of “van mij” beschouwen, ontstaat er gemakkelijk gehechtheid.

Je wilt bijvoorbeeld dat je lichaam gezond blijft. Dat is op zichzelf niet vreemd. Maar wanneer je ervan uitgaat dat je lichaam volledig onder jouw controle zou moeten staan, wordt ouder worden een probleem dat niet alleen lichamelijk is, maar ook raakt aan je identiteit.

Hetzelfde kan gebeuren met gedachten en overtuigingen.

“Ik ben slim.”

“Ik ben succesvol.”

“Ik ben een spiritueel persoon.”

“Ik ben nu eenmaal een introvert.”

Zulke uitspraken kunnen in het dagelijks leven handig zijn. Het probleem ontstaat wanneer we ze gaan behandelen alsof ze een vaste, onveranderlijke werkelijkheid beschrijven.

Het boeddhisme ziet juist die identificatie als een belangrijke bron van gehechtheid.

In de vroege teksten wordt daarom niet alleen gezegd dat de vijf skandha’s geen zelf zijn. De beoefenaar wordt aangemoedigd om ook het idee van “van mij” los te laten. 

Maar wie ben ik dan?

Dit is een logische vervolgvraag.

Als lichaam, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn allemaal geen permanent zelf zijn, blijft er dan überhaupt iets over?

De boeddhistische benadering is niet dat je ergens diep vanbinnen een verborgen “echte jij” moet vinden.

In plaats daarvan wordt de persoon gezien als een samenhangend proces van lichamelijke en mentale verschijnselen die voortdurend ontstaan en veranderen. Die processen staan bovendien niet los van hun omgeving en eerdere oorzaken. 

Je zou het kunnen vergelijken met een rivier.

Je spreekt over “de rivier”, alsof het één ding is. Toch bestaat een rivier niet uit één onveranderlijke substantie. Het water stroomt voortdurend door. Tegelijkertijd blijft het zinvol om over die rivier te spreken.

Op vergelijkbare wijze kunnen we over een persoon spreken zonder dat daarvoor een onveranderlijke kern nodig is.

Dit is een belangrijk punt, want anatta betekent niet dat er geen continuïteit bestaat. Er is wel degelijk een opeenvolging van oorzaken en gevolgen.

Hoe kan er karma zijn zonder zelf?

Hier ontstaat een van de lastigste vragen.

Als er geen blijvend zelf is, wie ontvangt dan de gevolgen van karma?

En als iemand sterft en opnieuw geboren wordt, wie wordt dan opnieuw geboren?

Het boeddhisme heeft deze vragen al heel vroeg onder ogen moeten zien. De leer van anatta werd immers gecombineerd met karma en wedergeboorte. Dat roept vanzelf de vraag op hoe morele verantwoordelijkheid kan blijven bestaan als er geen onveranderlijke ziel van het ene leven naar het andere verhuist.

De oplossing binnen de boeddhistische traditie is niet dat een onveranderlijke ziel toch ergens blijft bestaan. Het gaat om causale continuïteit: handelingen, verlangens, gewoonten en bewustzijnsprocessen hebben gevolgen die weer voorwaarden kunnen worden voor latere processen.

Er is dus continuïteit zonder dat er een onveranderlijk ding hoeft te zijn dat die continuïteit draagt. De latere boeddhistische filosofie heeft dit probleem uitgebreid onderzocht en verschillende modellen ontwikkeld. 

Een bekende vergelijking is die van een vlam die een andere vlam aansteekt. De tweede vlam is niet letterlijk dezelfde vlam als de eerste, maar je kunt ook niet zeggen dat er helemaal geen verband tussen beide bestaat.

Dat soort voorbeelden proberen duidelijk te maken hoe het boeddhisme continuïteit kan erkennen zonder een eeuwige ziel aan te nemen.

Waarom sprak de Boeddha niet gewoon over “de ziel”?

Om anatta beter te begrijpen, helpt het om te kijken naar de religieuze en filosofische omgeving waarin het vroege boeddhisme ontstond.

In het oude India bestonden verschillende ideeën over ātman, vaak vertaald als ‘zelf’ of ‘ziel’. In bepaalde Upanishadische tradities werd gezocht naar een diepere, blijvende werkelijkheid die achter de veranderlijke menselijke ervaring ligt. De boeddhistische leer van anatta stond in een duidelijke spanning met zulke opvattingen. 

De Boeddha nam dus niet zomaar een modern psychologisch standpunt in over “ego”.

Anatta was onderdeel van een veel grotere discussie over wat een mens werkelijk is, hoe bevrijding mogelijk is en wat er precies voortbestaat of verandert.

Daarom is het ook misleidend om anatta simpelweg te vertalen als “het ego loslaten” in de moderne psychologische betekenis. Dat kan een onderdeel van de praktische uitwerking zijn, maar de oorspronkelijke kwestie gaat dieper.

De Boeddha ontkende niet alles wat met “ik” te maken heeft

Er is een interessante nuance in de vroege teksten.

In de Ananda Sutta (SN 44.10) vraagt de rondtrekkende denker Vacchagotta aan de Boeddha:

“Is er een zelf?”

De Boeddha blijft stil.

Wanneer Vacchagotta vervolgens vraagt:

“Is er geen zelf?”

blijft de Boeddha opnieuw stil. 

Waarom geeft hij geen eenvoudig antwoord?

Volgens de uitleg die de Boeddha daarna aan Ānanda geeft, zou “er is een zelf” de indruk wekken dat hij een eeuwig zelf verdedigt. Maar “er is geen zelf” zou Vacchagotta juist kunnen laten denken dat een bestaand zelf volledig vernietigd wordt. Beide antwoorden zouden hem volgens de Boeddha verder van het juiste inzicht brengen. 

Dit is een belangrijk stukje context.

Het laat zien waarom de simpele Nederlandse uitspraak “het boeddhisme gelooft dat er helemaal geen zelf bestaat” soms te grof is.

De vroege boeddhistische teksten richten zich vooral op het doorzien van onze neiging om veranderlijke verschijnselen als een blijvend zelf te beschouwen.

Anatta is geen nihilisme

Daarmee komen we bij een ander veelvoorkomend misverstand.

Anatta betekent niet: niets bestaat en niets doet ertoe.

Dat zou een vorm van nihilisme zijn, en daar is de boeddhistische leer juist niet op gericht.

Er bestaan mensen, handelingen hebben gevolgen, lijden is werkelijk als ervaring en ethisch gedrag heeft betekenis. Alleen is daarvoor volgens het boeddhisme geen eeuwige ziel of onveranderlijke kern nodig.

De Boeddha probeert daarmee een middenweg te bewandelen tussen twee uitersten: enerzijds het idee van een eeuwig en onveranderlijk zelf, en anderzijds het idee dat een mens na zijn dood simpelweg totaal ophoudt te bestaan en dat er verder geen causale continuïteit is. 

Anatta is dus geen uitnodiging om te denken:

“Er is niemand, dus niets maakt uit.”

Het is eerder een uitnodiging om te onderzoeken waarom we zo sterk vasthouden aan het idee van een vaststaand ‘ik’.

Anatta in Theravada

Anatta is een fundamenteel onderdeel van het Theravada-boeddhisme en wordt daar sterk verbonden met de analyse van de vijf khandha’s.

De vroege Pali-teksten vormen hierbij een belangrijke bron. Vooral de Anattalakkhaṇa Sutta is bekend vanwege de expliciete analyse van de vijf aggregaten.

De nadruk ligt daarbij sterk op directe observatie: kijk naar lichaam, gevoelens, waarneming, mentale formaties en bewustzijn en onderzoek of ze blijvend zijn, volledig onder controle staan en geschikt zijn om als “dit ben ik” te worden beschouwd. 

Het doel van deze analyse is niet om een interessante filosofische theorie over de menselijke persoonlijkheid te ontwikkelen. Het doel is bevrijding.

Wanneer gehechtheid aan “ik” en “mijn” afneemt, neemt volgens deze leer ook de basis voor verlangen en lijden af.

Anatta in Mahayana-boeddhisme

Binnen het Mahayana wordt de leer van anatta verder ontwikkeld in samenhang met śūnyatā, meestal vertaald als ‘leegte’.

Dat begrip gaat verder dan alleen de vraag of een persoon een permanent zelf heeft. Binnen veel Mahayana-filosofieën wordt betoogd dat ook alle andere verschijnselen geen onafhankelijk en op zichzelf bestaand wezen hebben.

Alles ontstaat afhankelijk van oorzaken, voorwaarden en relaties. Dingen hebben dus geen volledig zelfstandige, onveranderlijke svabhāva, vaak vertaald als ‘eigen-natuur’ of ‘zelf-zijn’. 

Daarmee wordt de beweging van anatta verbreed:

Niet alleen de persoon heeft geen onafhankelijk zelf; uiteindelijk hebben verschijnselen geen onafhankelijk bestaan op zichzelf.

Dit speelt bijvoorbeeld een grote rol in de Madhyamaka-filosofie en de Prajñāpāramitā-literatuur.

Dat betekent niet dat Mahayana eenvoudigweg zegt dat “alles niets is”. Leegte is juist bedoeld om duidelijk te maken dat dingen afhankelijk ontstaan en niet bestaan op de manier waarop we ze vaak voorstellen. 

Anatta en Zen

Ook in Zen speelt het loslaten van een vast idee van het zelf een belangrijke rol.

Zen bouwt voort op Mahayana-denken, waarin anatta nauw verbonden is geraakt met leegte en onderling afhankelijk ontstaan. De beoefening richt zich niet alleen op het intellectueel begrijpen van deze ideeën, maar op het direct onderzoeken van ervaring.

Daarom kan een Zenleraar bijvoorbeeld vragen om eenvoudig te kijken naar gedachten, gevoelens en het gevoel van “ik”, zonder daar meteen een filosofische conclusie aan te verbinden.

Het punt is niet om een nieuwe theorie over jezelf te bedenken.

Juist het voortdurend proberen vast te leggen van “wie ik werkelijk ben” kan onderdeel zijn van het probleem.

Is anatta hetzelfde als het moderne idee van ego?

Niet helemaal.

In hedendaagse gesprekken wordt “ego” vaak gebruikt voor trots, zelfbeeld, onzekerheid of een sterk gevoel van eigen belangrijkheid.

Anatta gaat verder.

Je kunt een heel bescheiden persoon zijn en nog steeds sterk vasthouden aan het idee van een permanent zelf. Andersom kan iemand zelfverzekerd zijn zonder dat daarmee automatisch het soort “zelf” wordt bedoeld waar de boeddhistische leer kritiek op heeft.

Anatta gaat dus niet simpelweg over minder egoïstisch worden.

Het gaat om het onderzoeken van de aanname dat er achter de voortdurend veranderende lichamelijke en mentale processen een onafhankelijk en blijvend “ik” bestaat.

Betekent anatta dat je geen persoonlijkheid hebt?

Nee.

Je hebt nog steeds bepaalde karaktertrekken, gewoonten, herinneringen, voorkeuren en gedragingen. Mensen herkennen je en jij herkent jezelf als dezelfde persoon als gisteren.

Het boeddhistische punt is dat zo’n persoonlijkheid geen onveranderlijke kern hoeft te bevatten.

Denk aan iemand die vroeger heel verlegen was en later veel zelfverzekerder wordt. Of iemand die eerst heel materialistisch leefde en later andere waarden krijgt.

Als persoonlijkheid volledig vast zou staan, zouden zulke veranderingen moeilijk te verklaren zijn.

Vanuit het perspectief van anatta zijn ze juist begrijpelijk: wat we “persoonlijkheid” noemen is opgebouwd uit processen die elkaar beïnvloeden en veranderen.

Een interessant verschil: “ik heb een lichaam” en “ik ben mijn lichaam”

Anatta helpt ook om een subtiel verschil te zien tussen verschillende manieren waarop we over onszelf denken.

Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

“Ik heb een lichaam.”

Maar soms ervaren we ons lichaam bijna alsof het onze identiteit zelf is:

“Dit lichaam ben ik.”

De boeddhistische analyse vraagt vervolgens: kan het lichaam werkelijk jouw zelf zijn als het voortdurend verandert en je niet volledig kunt bepalen wat ermee gebeurt?

Hetzelfde onderzoek kan worden toegepast op gevoelens:

“Ik voel verdriet.”

Dat is iets anders dan:

“Ik ben verdrietig.”

En vervolgens:

“Ik ben nu eenmaal een verdrietig persoon.”

De eerste uitspraak beschrijft een ervaring. De laatste maakt van die ervaring een identiteit.

Dat verschil is praktisch gezien misschien wel een van de meest herkenbare manieren waarop anatta in het dagelijks leven zichtbaar wordt.

Hoe kun je anatta in de praktijk onderzoeken?

Anatta is niet alleen een filosofisch onderwerp. In boeddhistische beoefening wordt het juist verbonden met het rechtstreeks onderzoeken van ervaring.

Tijdens meditatie kun je bijvoorbeeld letten op een gedachte die opkomt.

Je hoeft niet te denken:

“Deze gedachte zegt iets over wie ik werkelijk ben.”

Je kunt simpelweg zien:

“Er is een gedachte.”

Daarna verdwijnt die gedachte misschien weer.

Hetzelfde kun je doen met emoties. Er ontstaat irritatie. Je voelt spanning in je lichaam. Er komen bepaalde gedachten. Vervolgens verandert de ervaring.

Wanneer je op deze manier observeert, wordt zichtbaar dat ervaringen voortdurend ontstaan en verdwijnen.

De vraag wordt dan niet langer alleen:

“Wie ben ik?”

maar ook:

“Wat gebeurt er eigenlijk wanneer ik van een veranderlijke ervaring een ‘ik’ of ‘mijn’ maak?”

Dat is veel dichter bij de praktische bedoeling van de leer.

Waarom zou inzicht in anatta bevrijdend zijn?

Als we geloven dat er een vast “ik” is, moeten we dat ik voortdurend beschermen, verbeteren en bevestigen.

We willen dat anderen ons aardig vinden.

We willen succesvol zijn.

We willen niet falen.

We willen onze reputatie behouden.

We willen dat ons lichaam er op een bepaalde manier uitziet.

We willen dat anderen ons zien zoals wij onszelf graag zien.

Veel van die verlangens draaien uiteindelijk rond een beeld van wie we denken dat we zijn.

Wanneer het inzicht in anatta dieper wordt, hoeft niet iedere ervaring meer onderdeel te worden van dat persoonlijke verhaal.

Een gedachte hoeft niet “mijn gedachte” te zijn.

Een gevoel hoeft niet “mijn identiteit” te worden.

Een compliment hoeft niet mijn zelfbeeld te bevestigen.

Een belediging hoeft niet mijn zelfbeeld te vernietigen.

Dat betekent niet dat iemand gevoelloos wordt. Het betekent juist dat ervaringen minder stevig worden vastgehouden.

In de Anattalakkhaṇa Sutta wordt het loslaten van identificatie rechtstreeks verbonden met onthechting en uiteindelijk bevrijding. 

Wat anatta uiteindelijk duidelijk probeert te maken

Anatta is een van die boeddhistische begrippen die eenvoudig klinkt totdat je er echt over nadenkt.

“Geen zelf” kan gemakkelijk worden opgevat als een uitspraak over het bestaan van mensen. Maar de vroege boeddhistische teksten leggen de nadruk op iets subtielers: onderzoek wat je normaal gesproken aanwijst als “ik” en kijk of daar werkelijk iets onveranderlijks, zelfstandigs en volledig beheersbaars tussen zit.

Je lichaam verandert. Gevoelens veranderen. Waarnemingen veranderen. Gedachten en neigingen veranderen. Bewustzijn is afhankelijk van voorwaarden. Geen van deze zaken kan daarom volgens de boeddhistische analyse worden aangewezen als een permanent zelf. 

Daaruit volgt niet dat je niets bent of dat je leven betekenisloos is.

Juist het tegenovergestelde: doordat er geen onveranderlijke kern is waaraan alles vast hoeft te zitten, ontstaat er ruimte voor verandering.

Anatta is daarom uiteindelijk niet alleen een antwoord op de vraag “bestaat er een zelf?” Het is ook een manier om te kijken naar gehechtheid, lijden en bevrijding. Het nodigt uit om minder snel te zeggen “dit ben ik” en “dit is van mij”, en steeds beter te zien hoe lichaam en geest in werkelijkheid functioneren: veranderlijk, afhankelijk van voorwaarden en voortdurend in beweging.

Wie anatta vanuit die invalshoek begrijpt, ziet ook beter waarom het begrip zo nauw verbonden is met andere centrale boeddhistische ideeën zoals anicca (vergankelijkheid), dukkha (onbevredigendheid of lijden), karma, wedergeboorte, afhankelijk ontstaan en, binnen het Mahayana, śūnyatā (leegte).