Monniken en nonnen
Monniken en nonnen in het boeddhisme
Wanneer je aan het boeddhisme denkt, zie je misschien al snel een monnik voor je met een geschoren hoofd en een eenvoudig gewaad. Maar wat betekent het eigenlijk om boeddhistische monnik of non te zijn? Waarom kiezen mensen voor zo’n leven, welke regels volgen zij en hoe komen zij aan eten en onderdak?
Monniken en nonnen vormen binnen veel boeddhistische tradities een bijzondere gemeenschap. Hun leven draait niet alleen om meditatie. Ze houden zich bezig met studie, beoefening, rituelen, onderwijs en het onderhouden van de boeddhistische gemeenschap. Tegelijkertijd verschilt het monastieke leven sterk per land en traditie.
De geschiedenis van deze gemeenschap gaat terug tot de tijd van de Boeddha zelf. Al vroeg ontstond er naast de groep lekenvolgelingen een gemeenschap van mensen die hun gewone leven opgaven om zich volledig aan de beoefening van de leer te wijden.
Wat is een boeddhistische monnik?
Een boeddhistische monnik is iemand die zijn gewone lekenleven heeft opgegeven en is toegetreden tot een monastieke gemeenschap, de Sangha. In het Pali wordt een volledig gewijde monnik een bhikkhu genoemd. Het Sanskriet gebruikt de vorm bhikṣu.
Een vrouwelijke volledig gewijde monnik wordt in het Pali een bhikkhunī genoemd en in het Sanskriet bhikṣuṇī. In het Nederlands spreken we meestal over monniken en nonnen.
Het woord Sangha heeft overigens niet in iedere context precies dezelfde betekenis. In de vroegboeddhistische traditie kan het specifiek verwijzen naar de monastieke gemeenschap van monniken en nonnen. In bredere zin wordt sangha tegenwoordig ook gebruikt voor de boeddhistische gemeenschap als geheel.
Monnik worden betekent dus meer dan simpelweg besluiten om veel te mediteren. Het betekent toetreden tot een georganiseerde religieuze gemeenschap en leven volgens een uitgebreid stelsel van regels dat bekendstaat als de Vinaya.
Waarom worden mensen monnik of non?
De belangrijkste reden is doorgaans het verlangen om zich volledig aan het boeddhistische pad te wijden.
Een lekenvolgeling heeft meestal werk, een gezin, een huis en allerlei sociale verplichtingen. Een monnik of non probeert juist een leven te leiden waarin deze verplichtingen zo veel mogelijk worden losgelaten. Daardoor ontstaat meer ruimte voor studie, meditatie, ethische beoefening en het ontwikkelen van inzicht.
In de vroege boeddhistische teksten wordt dit beschreven als het verlaten van het huishoudelijke leven voor het leven van iemand die zonder huis leeft. Dat betekent niet dat iedere monnik voortdurend in afzondering leeft. Monastieke gemeenschappen kunnen juist heel sociaal zijn en een belangrijke rol spelen in het leven van de omringende bevolking.
De bedoeling is vooral dat bezit, status en wereldse verplichtingen minder centraal komen te staan.
Dat sluit aan bij een belangrijk idee binnen het boeddhisme: gehechtheid aan dingen, verlangens en het eigen zelfbeeld draagt bij aan dukkha, het onbevredigende of problematische karakter van het bestaan. Door het leven eenvoudiger te maken, probeert een monnik of non ruimte te creëren voor de beoefening van de Dhamma.
De Sangha van monniken en nonnen
De Boeddha begon volgens de boeddhistische overlevering eerst met een gemeenschap van mannelijke monniken. Later ontstond ook een gemeenschap van vrouwelijke monastieken.
Een bekende figuur hierbij is Mahāpajāpatī Gotamī, de tante van de Boeddha en de vrouw die volgens de overlevering hem na het overlijden van zijn moeder opvoedde. De Pali Vinaya beschrijft hoe zij de Boeddha vroeg om vrouwen toe te staan het monastieke leven binnen te gaan. Uiteindelijk werd de orde van bhikkhunī's ingesteld.
Dit verhaal is echter ingewikkelder dan soms wordt voorgesteld. De verschillende Vinaya-tradities bevatten verschillende versies van de gebeurtenissen rond het ontstaan van de orde van nonnen. Onderzoekers hebben bovendien gewezen op tegenstrijdigheden in de overgeleverde verhalen. Het is daarom verstandig om onderscheid te maken tussen de religieuze overlevering en wat historisch met zekerheid kan worden vastgesteld.
Wat wel duidelijk is, is dat vrouwelijke monastieken al zeer vroeg onderdeel waren van het boeddhisme. De Therīgāthā, een verzameling verzen van vroegboeddhistische nonnen, bevat bijvoorbeeld teksten die aan vrouwelijke monastieken uit de vroege boeddhistische gemeenschap worden toegeschreven.
Hoe ziet het leven van een monnik eruit?
Er bestaat niet één universeel dagelijks schema voor alle boeddhistische monniken.
Een monnik in een Thais bosklooster kan een heel ander dagelijks leven hebben dan een Japanse Zen-monnik of een Tibetaanse monnik. Toch keren bepaalde activiteiten vaak terug:
- meditatie;
- studie van boeddhistische teksten;
- recitatie en rituelen;
- onderwijs geven;
- gesprekken met leken;
- werkzaamheden binnen het klooster;
- ceremonies;
- het onderhouden van de monastieke gemeenschap.
In sommige tradities ligt de nadruk sterk op meditatie. In andere spelen filosofische studie, rituelen of het reciteren van teksten een grotere rol.
Ook het beeld van de monnik die alleen maar in stilte mediteert klopt dus niet helemaal. Een klooster is vaak gewoon een gemeenschap waarin mensen samen wonen, eten, studeren en werken.
Welke regels volgen boeddhistische monniken?
Monniken leven volgens de Vinaya, het geheel van regels en voorschriften voor het monastieke leven.
De Vinaya is geen enkel document dat overal ter wereld identiek wordt gevolgd. Verschillende boeddhistische tradities hebben hun eigen Vinaya-overleveringen. De regels hebben betrekking op allerlei aspecten van het dagelijks leven: gedrag tegenover andere mensen, bezit, kleding, voedsel, relaties, wonen en de manier waarop de monastieke gemeenschap wordt bestuurd.
In de Theravada-traditie bevat de Pātimokkha, het belangrijkste overzicht van de monastieke regels, 227 regels voor volledig gewijde monniken en 311 voor volledig gewijde nonnen. In andere Vinaya-tradities zijn de aantallen anders. De Chinese Dharmaguptaka-traditie kent bijvoorbeeld 253 regels voor monniken en 348 voor nonnen.
Het gaat daarbij niet om 227 of 311 regels die allemaal dezelfde zwaarte hebben. Sommige overtredingen zijn veel ernstiger dan andere. De Vinaya bevat verschillende categorieën en beschrijft ook hoe overtredingen binnen de gemeenschap worden behandeld.
Geen geld aannemen
Een interessant voorbeeld is geld.
In de vroegboeddhistische Vinaya mogen monniken niet zomaar geld aannemen of zelf handelen in geld. De regels rond bezit en financiële transacties zijn behoorlijk uitgebreid. Er bestaan wel voorzieningen waarbij leken geld aan een aangewezen beheerder geven, zodat die namens de monnik toegestane zaken kan aanschaffen.
In de praktijk wordt hier tegenwoordig verschillend mee omgegaan. Een monnik in een modern klooster kan bijvoorbeeld afhankelijk zijn van een kloosterorganisatie die huur, vervoer of andere kosten regelt. Hoe strikt bepaalde regels worden toegepast, verschilt per traditie en gemeenschap.
Eten
Ook voedsel is in de Vinaya uitgebreid geregeld.
In de vroegboeddhistische traditie was het ontvangen van voedsel van leken een belangrijk onderdeel van het monastieke leven. Een monnik trok met zijn bedelnap langs huizen en ontving wat mensen hem wilden geven. De monnik hoefde daardoor niet zelf een beroep uit te oefenen om in zijn levensonderhoud te voorzien.
In de Theravada-Vinaya bestaan daarnaast regels over wanneer en onder welke omstandigheden voedsel mag worden gegeten. Zo is het eten van vast voedsel vanaf de middag tot de volgende ochtend in de betreffende regeltraditie niet toegestaan, met uitzonderingen voor bepaalde omstandigheden.
Dat verklaart ook waarom je in landen als Thailand of Sri Lanka monniken soms 's ochtends langs de huizen ziet gaan om voedsel te ontvangen.
Het bedelen is daarbij niet helemaal hetzelfde als bedelen in de moderne betekenis van het woord. De monnik vraagt in de klassieke praktijk niet om een specifiek product of bedrag. De leek geeft wat hij of zij wil geven.
Waarom geven leken eten aan monniken?
De relatie tussen monniken en leken is een belangrijk onderdeel van het traditionele boeddhistische model.
De monniken wijden zich aan de beoefening en het doorgeven van de Dhamma. Leken zorgen onder andere voor voedsel, kleding en andere noodzakelijke zaken. Deze praktijk wordt verbonden met dāna, vrijgevigheid.
Daarbij ontstaat een wederzijdse relatie. De leek geeft materiële ondersteuning, terwijl monniken onder meer onderricht, begeleiding en religieuze diensten kunnen bieden.
Dit betekent niet dat een monnik simpelweg betaald wordt voor het geven van een leerrede. Binnen het traditionele model is de relatie eerder gebaseerd op vrijgevigheid dan op een commerciële uitwisseling.
De Vinaya bevat zelfs zeer gedetailleerde voorschriften over hoe voedsel dat aan de Sangha wordt gegeven, verdeeld en gebruikt mag worden.
Moeten monniken altijd bedelen om eten?
Nee.
Het traditionele model van voedsel ontvangen uit de handen van leken is belangrijk, maar de precieze praktijk verschilt per plaats en traditie. Sommige monniken gaan dagelijks op bedelronde, terwijl anderen in een klooster eten dat door leken naar het klooster wordt gebracht.
Een monnik die in een modern Westers boeddhistisch centrum woont, kan bijvoorbeeld een gezamenlijke keuken hebben waar leken maaltijden verzorgen. Dat ziet er heel anders uit dan de traditionele bedelronde in Zuidoost-Azië, maar het uitgangspunt van ondersteuning door de gemeenschap kan vergelijkbaar zijn.
Kunnen monniken trouwen?
In veel traditionele boeddhistische monastieke tradities: nee.
Volledig gewijde monniken en nonnen leven celibatair. Seksuele relaties zijn volgens de Vinaya niet verenigbaar met het volledig gewijde monastieke leven.
Daarbij is het belangrijk om niet alle boeddhistische geestelijken over één kam te scheren.
In Japan ontstond bijvoorbeeld een andere ontwikkeling. In verschillende Japanse boeddhistische scholen werd het mogelijk voor geestelijken om te trouwen en een gezin te hebben. Zij functioneren daardoor anders dan de celibataire monniken die je bijvoorbeeld in veel Theravada- of Tibetaanse gemeenschappen aantreft.
Het woord "monnik" kan daarom in een moderne context iets anders betekenen dan het klassieke bhikkhu.
Mogen monniken bezit hebben?
Het monastieke ideaal is gericht op een eenvoudig leven met weinig persoonlijke bezittingen.
De Vinaya regelt daarom uitgebreid welke persoonlijke spullen een monnik mag bezitten. Kleding, een bedelnap en andere praktische zaken zijn toegestaan binnen bepaalde grenzen. In de vroegste monastieke traditie was het idee dat iemand niet voortdurend bezig zou zijn met verzamelen, bewaren en beschermen van bezit.
Dat betekent niet dat een klooster helemaal niets mag bezitten.
Een kloostergemeenschap kan gebouwen, voedselvoorraden en andere voorzieningen hebben. Het onderscheid tussen persoonlijk bezit en bezit van de Sangha is daarbij belangrijk.
Dit is een interessante nuance: boeddhistische monniken streven naar weinig persoonlijk bezit, maar boeddhistische kloosters kunnen wel degelijk aanzienlijke gemeenschappelijke bezittingen hebben.
Zijn monniken belangrijker dan leken?
Dat hangt af van wat je met "belangrijker" bedoelt.
Binnen traditionele boeddhistische gemeenschappen hebben monniken vaak een bijzondere religieuze status. Zij hebben hun leven gewijd aan de Dhamma en worden daarom door leken gerespecteerd en ondersteund.
Maar dat betekent niet dat alleen monniken verlichting kunnen bereiken.
In de boeddhistische leer wordt spirituele vooruitgang niet simpelweg bepaald door iemands sociale status. De vroege boeddhistische teksten beschrijven ook leken die belangrijke niveaus van inzicht bereiken.
Bovendien was de Sangha vanaf het begin afhankelijk van de samenwerking met leken. Zonder voedsel, kleding en onderdak van de lekenbevolking zou het traditionele monastieke model nauwelijks kunnen bestaan.
De relatie is daarom beter te begrijpen als een wederzijdse afhankelijkheid dan als een eenvoudige rangorde.
Monniken, nonnen en de positie van vrouwen
De geschiedenis van vrouwelijke monastieken is een van de interessantste en ingewikkeldste onderdelen van het onderwerp.
Aan de ene kant is het opvallend dat er volgens de boeddhistische teksten al tijdens het leven van de Boeddha een orde van nonnen bestond. De traditie stelt bovendien dat vrouwen net als mannen het hoogste spirituele doel konden bereiken.
Aan de andere kant kregen nonnen in de Vinaya te maken met aanvullende regels die hun verhouding tot monniken vastlegden. De zogenaamde garudhamma's zijn hiervan het bekendste voorbeeld. Deze regels plaatsen de orde van nonnen op verschillende punten in een ondergeschikte positie ten opzichte van de monniken.
Juist hierover bestaat veel discussie.
Sommige onderzoekers vragen zich af of alle garudhamma's daadwerkelijk uit de tijd van de historische Boeddha stammen, omdat de overleveringen hierover onderling verschillen en bepaalde passages historische problemen opleveren. Andere onderzoekers en boeddhistische tradities nemen de regels wel als onderdeel van de Vinaya-overlevering.
Het is daarom te simpel om te zeggen dat het boeddhisme vanaf het begin volledig gelijkwaardig was voor mannen en vrouwen. Maar het is eveneens te simpel om te zeggen dat vrouwen in het vroege boeddhisme geen spirituele mogelijkheden hadden.
Beide kanten van die geschiedenis zijn belangrijk.
Waarom zijn er in sommige landen wel boeddhistische nonnen en in andere niet?
Hier wordt de geschiedenis nog ingewikkelder.
De orde van volledig gewijde nonnen bleef in sommige boeddhistische tradities bestaan, terwijl de lijn van volledige vrouwelijke ordination in andere gebieden verdween.
In veel Oost-Aziatische boeddhistische gemeenschappen, waaronder China, Taiwan, Korea en Vietnam, bleef een bhikshuni-traditie bestaan. Deze tradities gebruiken onder meer de Dharmaguptaka Vinaya.
In veel Theravada-landen raakte de lijn van volledig gewijde bhikkhunī's daarentegen buiten gebruik. Onderzoekers plaatsen het verdwijnen van deze lijn ergens in de middeleeuwse periode, waarbij de precieze datering per regio verschilt.
Dat betekent niet dat er in die landen helemaal geen vrouwelijke boeddhistische renuncianten waren. In Thailand, Myanmar en andere Theravada-landen bestaan bijvoorbeeld tradities van vrouwen die een aantal leefregels aannemen en een religieus leven leiden, zonder dat zij dezelfde formele status hebben als volledig gewijde bhikkhunī's.
De terugkeer van de bhikkhunī
In de moderne tijd proberen boeddhistische vrouwen en hun ondersteuners de volledige wijding voor vrouwen in verschillende Theravada-landen opnieuw op te bouwen.
Sri Lanka heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Daarbij is gebruikgemaakt van de bestaande bhikshuni-overlevering uit Oost-Aziatische boeddhistische tradities. Dit heeft geleid tot veel discussie over de vraag of zo'n wijding volgens de Theravada-Vinaya geldig kan worden beschouwd.
De discussie gaat dus niet alleen over gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Er spelen ook ingewikkelde vragen over Vinaya, historische continuïteit en de vraag wat precies nodig is om een monastieke ordination geldig te laten zijn.
Dat maakt de kwestie tot een goed voorbeeld van hoe boeddhistische traditie, geschiedenis en moderne maatschappelijke ontwikkelingen met elkaar kunnen botsen.
Hoe zit het met monniken in het Tibetaanse boeddhisme?
Ook hier is voorzichtigheid nodig met algemene uitspraken.
De Tibetaanse monastieke traditie gebruikt een andere Vinaya-overlevering dan de Theravada- en Oost-Aziatische tradities. De volledige bhikshuni-wijding heeft daar historisch gezien geen ononderbroken institutionele lijn gekregen zoals in China.
Daardoor konden Tibetaanse vrouwen wel als religieuze renuncianten leven en bepaalde vormen van wijding ontvangen, maar was de volledige bhikshuni-ordening lange tijd niet op dezelfde manier beschikbaar.
In de 21e eeuw zijn er verschillende pogingen geweest om de volledige wijding voor vrouwen binnen Tibetaanse gemeenschappen mogelijk te maken. Dit is nog steeds een onderwerp van religieuze en juridische discussie.
Dit laat opnieuw zien waarom "boeddhistische monnik" geen uniforme categorie is. De regels en mogelijkheden hangen sterk af van de traditie waarin iemand wordt gewijd.
Wat gebeurt er tijdens een boeddhistische ordinatie?
Een persoon wordt niet zomaar monnik omdat hij een gewaad aantrekt en zijn hoofd scheert.
Er bestaan verschillende stadia van toetreding tot het monastieke leven. De precieze procedure verschilt per traditie, maar er is vaak een onderscheid tussen een eerste toetreding tot het kloosterleven en een latere volledige wijding.
In de Theravada-traditie wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen pabbajjā, het "uitgaan" uit het lekenleven, en upasampadā, de volledige wijding.
Bij de volledige wijding speelt de monastieke gemeenschap een belangrijke rol. De procedure bevat formele verklaringen en vragen en vindt plaats volgens regels die in de Vinaya zijn vastgelegd. Een volledig gewijde monnik wordt daardoor lid van een formeel georganiseerde Sangha.
Het is dus niet alleen een persoonlijke keuze, maar ook een religieuze en gemeenschappelijke overgang.
Kunnen monniken hun leven weer opgeven?
Ja.
Een monastieke wijding hoeft niet noodzakelijk een onomkeerbare beslissing voor de rest van iemands leven te zijn. In verschillende boeddhistische culturen komt het voor dat iemand monnik wordt en later terugkeert naar het lekenleven.
In sommige landen is tijdelijke ordination zelfs een vrij normale culturele praktijk. Iemand kan bijvoorbeeld voor een bepaalde periode in een klooster leven voordat hij terugkeert naar zijn gewone leven.
Dat is opnieuw een voorbeeld van waarom het beeld van de monnik die voor altijd alles achter zich laat niet overal klopt.
Zijn alle monniken hetzelfde?
Nee. Een monnik in een Theravada-bosklooster, een Zen-priester in Japan en een Tibetaanse monnik kunnen er totaal verschillend uitzien en een heel ander dagelijks leven hebben.
Ook binnen één traditie bestaan grote verschillen.
Sommige monniken leven afgezonderd en leggen sterk de nadruk op meditatie. Andere wonen in grote kloosters en besteden veel tijd aan studie, onderwijs, ceremonies of het begeleiden van leken.
Het boeddhisme kent bovendien verschillende opvattingen over wat een ideaal monastiek leven inhoudt. In sommige tradities ligt de nadruk sterk op het bewaren van de oorspronkelijke Vinaya-regels, terwijl andere tradities door de eeuwen heen nieuwe vormen van religieus leven hebben ontwikkeld.
Een vaak verkeerd begrepen punt: monniken zijn geen "boeddhistische priesters"
Het woord priester wordt soms gebruikt als vertaling of eenvoudige omschrijving voor boeddhistische geestelijken, maar het kan een verkeerd beeld geven.
Een boeddhistische monnik is niet automatisch iemand die tussen mensen en een god bemiddelt. In het vroege boeddhisme staat juist het beoefenen van de leer centraal.
Monniken kunnen rituelen uitvoeren, ceremonies leiden en religieuze begeleiding geven, maar dat betekent niet dat zij een exclusieve toegang tot een goddelijke macht hebben.
Bovendien is het idee van een persoonlijke scheppergod geen centraal uitgangspunt van het vroege boeddhisme. De rol van een monnik moet daarom vooral worden begrepen vanuit de Dhamma, de beoefening en de Sangha.
Monniken en verlichting
Een belangrijk doel van het monastieke leven is het creëren van omstandigheden waarin iemand zich volledig kan richten op bevrijding.
In de vroege boeddhistische teksten wordt de arahant voorgesteld als iemand die de bevrijdende inzichten heeft gerealiseerd en niet langer gebonden is aan de oorzaken van wedergeboorte.
Monnik worden betekent echter niet dat iemand automatisch verlicht is.
Een monnik heeft simpelweg een levensvorm gekozen die bedoeld is om de beoefening te ondersteunen. Hij kan nog steeds hebzucht, woede, trots, twijfel en andere vormen van gehechtheid ervaren.
Het gewaad maakt iemand dus niet tot een verlicht persoon.
Dat idee is in feite een belangrijk onderdeel van de boeddhistische benadering: status alleen verandert iemand niet. Het gaat om de daadwerkelijke ontwikkeling van inzicht en gedrag.
Wat kunnen leken leren van het monastieke leven?
Je hoeft geen monnik of non te worden om iets van het monastieke ideaal mee te nemen.
Een van de belangrijkste ideeën achter het monastieke leven is dat je niet ieder verlangen hoeft te volgen en dat meer bezit niet automatisch meer geluk betekent.
Daarom kunnen ook leken iets herkennen in praktijken als eenvoud, vrijgevigheid, aandacht, meditatie en het bewust omgaan met verlangens.
Het verschil is dat een leek deze principes probeert toe te passen binnen een leven met werk, relaties, gezin en andere verantwoordelijkheden. Een monnik kiest ervoor om veel van die omstandigheden juist achter zich te laten.
Het zijn dus twee verschillende manieren om de boeddhistische leer te beoefenen, niet simpelweg een "goede" en een "minder goede" versie.
Monniken en nonnen in het moderne Westen
Ook in Europa en Noord-Amerika bestaan tegenwoordig boeddhistische monniken en nonnen. Zij leven vaak in kloosters of meditatiecentra, maar de omstandigheden zijn anders dan in traditionele Aziatische samenlevingen.
Een Westers klooster kan bijvoorbeeld afhankelijk zijn van donaties van een relatief kleine groep mensen. Sommige gemeenschappen werken daarom met vrijwilligers, donateurs of organisaties om het dagelijks leven mogelijk te maken.
Dat roept interessante vragen op over hoe oude monastieke regels kunnen worden toegepast in een moderne samenleving waarin monniken niet noodzakelijk iedere dag tientallen huizen kunnen bezoeken voor voedsel.
Sommige gemeenschappen proberen daarom heel nauw bij de klassieke Vinaya te blijven. Andere passen bepaalde praktische zaken aan de moderne omgeving aan.
De monnik als onderdeel van een groter geheel
Het is uiteindelijk moeilijk om de boeddhistische monnik los te zien van de rest van de boeddhistische gemeenschap.
In het traditionele model zijn er vier groepen volgelingen:
- volledig gewijde monniken;
- volledig gewijde nonnen;
- mannelijke lekenvolgelingen;
- vrouwelijke lekenvolgelingen.
Deze vier groepen worden soms aangeduid als de vierledige Sangha of de vier gemeenschappen.
Het boeddhisme heeft zich historisch dan ook niet alleen ontwikkeld dankzij mensen die in kloosters leefden. Leken hebben tempels gebouwd, teksten gekopieerd, leraren ondersteund, rituelen georganiseerd en de leer doorgegeven aan volgende generaties.
De monnik en de leek zijn daarom geen twee volledig losstaande werelden.
Een leven van afstand nemen
Het meest kenmerkende aan het monastieke leven is misschien niet het gewaad, het geschoren hoofd of de bedelnap. Het is het bewust afstand nemen van een leven dat sterk wordt bepaald door bezit, status, relaties en persoonlijke verlangens.
Dat idee gaat terug tot de vroegste boeddhistische gemeenschap. Tegelijkertijd is de manier waarop het wordt ingevuld in ruim tweeduizend jaar boeddhistische geschiedenis sterk veranderd.
In sommige tradities betekent monastiek leven vooral eenvoud en meditatie. In andere ligt de nadruk meer op studie, ritueel of onderwijs. Sommige gemeenschappen leven zeer strikt volgens oude regels, terwijl andere een moderne vorm hebben ontwikkeld.
Ook de geschiedenis van vrouwelijke monastieken laat zien dat het boeddhistische monastieke leven nooit volledig statisch is geweest. De orde van nonnen ontstond volgens de boeddhistische overlevering al in de vroege Sangha, verdween in sommige regio's en wordt daar tegenwoordig opnieuw opgebouwd.
Wie monniken en nonnen wil begrijpen, moet daarom verder kijken dan het bekende beeld van iemand in een gewaad. Het gaat om een eeuwenoude manier van leven waarin beoefening, discipline, eenvoud en afhankelijkheid van een bredere gemeenschap samenkomen. Juist die combinatie maakt de boeddhistische Sangha zo'n belangrijk onderdeel van de geschiedenis van het boeddhisme.