Wat zegt het boeddhisme over geluk?

Gelukkig zijn lijkt op het eerste gezicht een eenvoudig doel. Vrijwel iedereen wil een prettig leven, liefde ervaren, zich veilig voelen en momenten van vreugde kennen. Toch stelt het boeddhisme een lastige vraag: wat bedoelen we eigenlijk met geluk?

Volgens de boeddhistische leer is geluk niet iets slechts dat je moet vermijden. Het probleem zit eerder in de manier waarop we ermee omgaan. Een mooie ervaring kan prettig zijn, maar als we eraan gaan vasthouden, kan juist daar onrust ontstaan. We willen dat het moment blijft duren, dat we meer krijgen, of dat onaangename ervaringen nooit terugkomen.

Daarom maakt het boeddhisme onderscheid tussen verschillende vormen van geluk. Sommige zijn afhankelijk van omstandigheden en verdwijnen weer. Andere vormen ontstaan uit een rustige geest, ethisch handelen, wijsheid en uiteindelijk het loslaten van verlangen en gehechtheid.

Het Pali-woord sukha, dat vaak met “geluk” wordt vertaald, heeft daarbij een bredere betekenis. Het kan ook verwijzen naar welzijn, gemak, aangenaamheid of een toestand waarin iemand vrij is van druk en onrust.

Geluk is niet verboden in het boeddhisme

Een veelvoorkomend misverstand is dat het boeddhisme geluk en plezier zou afwijzen. Dat klopt niet helemaal.

De vroege boeddhistische teksten spreken juist regelmatig over geluk. Er wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen lichamelijk en geestelijk geluk, tussen werelds en spiritueel geluk en tussen verschillende soorten geluk die voortkomen uit de manier waarop iemand leeft. In de Aṅguttara Nikāya worden zelfs meerdere soorten geluk met elkaar vergeleken.

Het boeddhisme zegt dus niet simpelweg: “Geniet nergens van.”

De belangrijkere vraag is:

Waar komt je geluk vandaan, en wat gebeurt er met je geest wanneer je het probeert vast te houden?

Dat verschil is belangrijk. Een maaltijd kan lekker zijn. Tijd doorbrengen met iemand van wie je houdt kan fijn zijn. Een wandeling, muziek, rust of een geslaagd project kan geluk geven. Het boeddhisme hoeft daar niet van te ontkennen dat zulke ervaringen aangenaam zijn.

Maar zulke ervaringen hebben één eigenschap gemeen: ze veranderen.

En precies daar begint een belangrijk onderdeel van de boeddhistische kijk op geluk.

Waarom aangenaam geluk niet blijvend is

In het boeddhisme is anicca, vergankelijkheid, een van de drie kenmerken van het bestaan. Alles wat afhankelijk is van voorwaarden verandert uiteindelijk.

Dat geldt ook voor prettige ervaringen.

Je kunt bijvoorbeeld heel blij zijn met een nieuwe baan. Eerst geeft die baan misschien maandenlang voldoening. Na verloop van tijd wordt het gewone leven. Of je raakt gewend aan het salaris, de collega's en de vrijheid. Wat eerst bijzonder was, voelt normaal.

Hetzelfde kan gebeuren met geld, bezit, reizen, relaties, lichamelijk genot en allerlei andere dingen.

Dat betekent niet dat ze waardeloos zijn. Het betekent dat ze geen stabiele basis vormen voor blijvend geluk.

In de Sukha Sutta uit de Saṃyutta Nikāya wordt gesproken over aangename, pijnlijke en neutrale gevoelens. De beoefenaar leert deze gevoelens te zien als vergankelijk en niet als iets waaraan blijvend kan worden vastgehouden.

Hier zit een subtiel verschil in.

Het boeddhisme zegt niet dat een aangename ervaring hetzelfde is als lijden. Het probleem ontstaat wanneer we verlangen dat een veranderlijke ervaring permanent wordt.

Het verschil tussen verlangen en geluk

Een van de belangrijkste begrippen om dit te begrijpen is taṇhā, vaak vertaald als “dorst”, “verlangen” of “begeerte”.

Taṇhā is niet simpelweg ieder verlangen dat een mens kan hebben. In de boeddhistische leer gaat het om een vorm van hunkering en gehechtheid waarmee de geest zich vastklampt aan ervaringen.

Je kunt bijvoorbeeld denken:

“Dit moment moet blijven.”

Of:

“Als ik dit eenmaal heb, ben ik eindelijk gelukkig.”

Of:

“Ik kan pas gelukkig zijn wanneer ik dit bereik.”

Het probleem zit dan niet alleen in het object van verlangen. Het zit in de afhankelijkheid die ontstaat.

Zodra je geluk volledig afhankelijk wordt van iets wat kan veranderen, ontstaat er onzekerheid. Je kunt het kwijtraken. Je kunt eraan wennen. Of je kunt ontdekken dat het toch niet de voldoening gaf waarop je had gehoopt.

De boeddhistische analyse van lijden begint daarom niet met de conclusie dat alles onaangenaam is. Ze kijkt naar de manier waarop verlangen, gehechtheid en vergankelijkheid met elkaar samenhangen.

Geluk en de Vier Edele Waarheden

Dit wordt duidelijker wanneer we kijken naar de Vier Edele Waarheden.

De eerste waarheid beschrijft dukkha: het onbevredigende of problematische karakter van het bestaan. Dukkha wordt vaak vertaald als “lijden”, maar dat Nederlandse woord kan soms een te beperkte indruk geven.

Ook iets prettigs kan uiteindelijk met dukkha verbonden zijn wanneer het verandert of wanneer we er afhankelijk van worden.

De tweede edele waarheid wijst onder andere naar taṇhā, het verlangen dat zich vastklampt aan ervaringen en omstandigheden.

De derde waarheid stelt dat er een einde aan dukkha mogelijk is.

De vierde beschrijft het pad dat naar dat einde leidt: het Edele Achtvoudige Pad.

Vanuit dit perspectief gaat boeddhistische beoefening dus niet over het vinden van steeds betere omstandigheden. Het gaat uiteindelijk om het veranderen van de relatie die de geest heeft met verlangen, afkeer en de veranderlijkheid van het leven.

Het boeddhisme maakt onderscheid tussen soorten geluk

Het is daarom te simpel om te zeggen dat er volgens het boeddhisme maar één soort geluk bestaat.

De teksten maken juist verschillende onderscheidingen.

In de Aṅguttara Nikāya worden bijvoorbeeld werelds en spiritueel geluk tegenover elkaar gezet. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen lichamelijk en geestelijk geluk en tussen geluk dat verbonden is met bepaalde vormen van vreugde en geluk dat daarvan vrij is.

Daarmee ontstaat een soort rangorde.

Een aangename ervaring is niet per definitie verkeerd, maar geluk dat minder afhankelijk is van externe omstandigheden wordt als waardevoller gezien. Naarmate gehechtheid en mentale onrust afnemen, wordt het geluk stabieler en verfijnder.

Dat idee loopt door veel van de vroege boeddhistische leer heen.

Ook materieel geluk heeft een plaats

Interessant genoeg spreekt het boeddhisme niet alleen over monniken, meditatie en verlichting.

Een mooi voorbeeld is de Ānaṇya Sutta (AN 4.62). Daar bespreekt de Boeddha met de rijke leek Anāthapiṇḍika vier soorten geluk die iemand als huisbewoner kan ervaren.

Het eerste is het geluk van bezit: eerlijke rijkdom hebben die door inspanning en op een rechtmatige manier is verkregen.

Het tweede is het geluk van het gebruiken van die rijkdom: ervan kunnen leven en er goede dingen mee kunnen doen.

Het derde is het geluk van vrij zijn van schulden.

Het vierde is het geluk van onberispelijk leven: weten dat je lichaam, spraak en geest niet in strijd zijn met je morele principes.

Dat is een interessante passage, omdat ze laat zien dat het boeddhisme materiële omstandigheden niet simpelweg negeert.

Geld kan geluk geven. Financiële zekerheid kan geluk geven. Geen schulden hebben kan geluk geven.

Maar volgens deze tekst staat het geluk van een zuiver en onberispelijk leven daar nog boven. De tekst maakt dus een onderscheid tussen geluk dat je hebt door wat je bezit en geluk dat voortkomt uit de manier waarop je leeft.

Dat maakt de boeddhistische benadering veel genuanceerder dan de gedachte dat je al je bezittingen moet opgeven om gelukkig te kunnen zijn.

Goed leven als bron van geluk

Moreel gedrag heeft binnen het boeddhisme daarom niet alleen een sociale functie.

Het beïnvloedt ook rechtstreeks de geest.

Wie liegt, bedriegt, steelt of anderen bewust schade toebrengt, kan daar misschien tijdelijk voordeel uit halen. Maar dergelijk gedrag kan schuld, angst, schaamte, wantrouwen en innerlijke onrust veroorzaken.

Andersom kan iemand die probeert zorgvuldig te spreken, anderen niet onnodig te schaden en eerlijk te leven een bepaalde vorm van innerlijke rust ervaren.

Dat is precies wat in de Ānaṇya Sutta naar voren komt als het geluk van onberispelijkheid.

Geluk is daar dus niet alleen een gevoel dat je overkomt. Het is ook iets dat samenhangt met hoe je leeft.

Geluk door minder vast te houden

Een van de meest interessante kanten van de boeddhistische kijk op geluk is dat geluk uiteindelijk niet vooral wordt gezocht door meer te krijgen.

Het kan juist ontstaan doordat je minder hoeft vast te houden.

Dat betekent niet dat je niets meer mag willen of nergens meer naar mag streven. Het boeddhisme maakt onderscheid tussen verschillende soorten verlangen en motivatie. Het probleem is vooral de hunkering die gebaseerd is op gehechtheid en die zegt: “Zonder dit kan ik niet gelukkig zijn.”

Wanneer die greep zwakker wordt, ontstaat er meer ruimte.

Je hoeft een goede ervaring niet meteen vast te pakken.

Je kunt iets moois waarderen zonder te eisen dat het voor altijd blijft.

Je kunt verdriet voelen zonder te denken dat het onmiddellijk moet verdwijnen.

Je kunt iets verliezen zonder dat je hele gevoel van eigenwaarde daarmee instort.

Dat is een heel andere manier om naar geluk te kijken.

Wat betekent sukha precies?

Het woord sukha verdient wat extra aandacht, omdat de Nederlandse vertaling “geluk” soms een verkeerde indruk kan geven.

Sukha kan afhankelijk van de context verwijzen naar plezier, geluk, welzijn, gemak of een gevoel van innerlijke ruimte. Het tegenovergestelde begrip dukkha heeft eveneens een brede betekenis. Het gaat niet alleen over hevig lijden, maar kan ook verwijzen naar onbevredigdheid, spanning of het ontbreken van gemak.

Dat betekent dat een zin als “het boeddhisme leert dat geluk het tegenovergestelde van lijden is” eigenlijk te simpel is.

Er bestaan verschillende soorten sukha, en sommige daarvan zijn nog steeds afhankelijk van omstandigheden en gevoelens.

In de verdere ontwikkeling van het boeddhistische denken wordt het begrip bovendien steeds verder verfijnd.

Van plezier naar innerlijke rust

In de vroege boeddhistische teksten wordt duidelijk dat er verschillende niveaus van geluk zijn.

Een prettig zintuiglijk gevoel is één vorm. Maar ook meditatie kan geluk en vreugde voortbrengen. In diepe concentratieve toestanden, de jhāna's, wordt gesproken over verfijnde vormen van welzijn en geluk.

Daarmee verschuift de aandacht van de buitenwereld naar de geest zelf.

Een persoon die zijn geluk vooral zoekt in eten, bezit, seks, status of entertainment is afhankelijk van steeds nieuwe prikkels. Iemand die leert rusten in een geconcentreerde en kalme geest ontdekt een ander soort ervaring.

Maar zelfs dat is volgens het boeddhisme uiteindelijk nog niet het eindpunt.

Ook meditatieve toestanden ontstaan door oorzaken en voorwaarden. Ze zijn daarom niet hetzelfde als volledige bevrijding.

Het hoogste geluk: Nibbāna

In de Dhammapada wordt dit onderscheid heel duidelijk.

In het hoofdstuk Sukhavagga, het “hoofdstuk over geluk”, worden verschillende vormen van geluk besproken. Een vers verbindt het hoogste geluk uiteindelijk met de vrede van Nibbāna.

Nibbāna is binnen het vroege boeddhisme geen soort eeuwig paradijs waarin iemand voor altijd plezier beleeft.

Het verwijst naar bevrijding: het uitdoven van de krachten die iemand gevangen houden in hebzucht, haat en onwetendheid.

Daarom is het geluk van Nibbāna fundamenteel anders dan het geluk dat ontstaat wanneer je iets krijgt wat je graag wilt.

Bij gewoon geluk kan de redenering zijn:

“Ik heb gekregen wat ik wilde, dus ik voel me gelukkig.”

Bij bevrijding draait het juist om het loslaten van de gehechtheid die ervoor zorgt dat je voortdurend iets nodig hebt om je compleet te voelen.

Dat is een van de diepste verschuivingen in het boeddhistische begrip van geluk.

Betekent dit dat je niets meer mag verlangen?

Nee.

Ook dit is een belangrijk misverstand.

Als het boeddhisme ieder verlangen zou afwijzen, zou het moeilijk te verklaren zijn waarom iemand überhaupt zou mediteren, ethisch zou willen leven of naar bevrijding zou streven.

Binnen het boeddhistische denken wordt daarom onderscheid gemaakt tussen taṇhā, de hunkering die verbonden is met gehechtheid, en andere vormen van motivatie, zoals chanda, dat afhankelijk van de context kan verwijzen naar wens, intentie of motivatie om iets te doen.

Het doel is dus niet simpelweg om van een mens een passief wezen te maken dat nergens meer om geeft.

Het gaat erom te leren herkennen welke verlangens leiden tot meer onrust en welke motivatie juist helpt om helderheid, mededogen en wijsheid te ontwikkelen.

Geluk door niet te winnen

Een mooi voorbeeld van deze gedachte vinden we opnieuw in de Dhammapada.

Daar wordt gezegd dat overwinning vijandschap voortbrengt en dat de vredige persoon zowel overwinning als nederlaag achter zich laat.

Dat lijkt misschien een klein detail, maar het raakt aan een groter thema.

Veel alledaags geluk is vergelijkend.

“Ik heb meer dan hij.”

“Ik heb gewonnen.”

“Ik ben succesvoller.”

“Ik heb gekregen wat ik wilde.”

Zolang geluk afhankelijk is van deze vergelijkingen, blijft er een tegenpool bestaan. Wie wint, kan verliezen. Wie bovenaan staat, kan naar beneden vallen.

De boeddhistische weg probeert daarom een vorm van welzijn te ontwikkelen die minder afhankelijk is van winnen, verliezen, krijgen en kwijtraken.

Wat zegt het boeddhisme dan over een gelukkig leven?

Voor iemand die vandaag geïnteresseerd is in het boeddhisme, hoeft de boodschap niet te zijn dat je je huidige leven moet afwijzen.

Je kunt werken, geld verdienen, een relatie hebben, vrienden maken, genieten van eten, reizen en mooie ervaringen hebben. De vroege teksten erkennen dat zulke dingen geluk kunnen geven. De Ānaṇya Sutta is daar een duidelijk voorbeeld van.

De vraag is eerder of je hele welzijn ervan afhankelijk wordt.

Een boeddhistische benadering zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat je probeert:

  • eerlijk en zorgvuldig te leven;
  • niet voortdurend meer te willen dan je nodig hebt;
  • dankbaar te zijn voor wat er wel is;
  • aangename ervaringen te waarderen zonder eraan vast te klampen;
  • ongemak niet onmiddellijk weg te hoeven duwen;
  • aandacht te ontwikkelen voor wat er in je geest gebeurt;
  • en te onderzoeken welke verlangens werkelijk bijdragen aan je welzijn.

Dat laatste is misschien wel het meest kenmerkende onderdeel.

Het boeddhisme vraagt je niet alleen: “Wat maakt mij gelukkig?”

Het vraagt ook:

“Waarom heb ik dit nodig om gelukkig te zijn?”

Is boeddhistisch geluk hetzelfde als altijd blij zijn?

Nee.

Dit is misschien een van de belangrijkste misverstanden om mee te nemen.

Boeddhistische beoefening betekent niet dat je de hele dag rustig, positief of vrolijk moet zijn.

Verdriet, boosheid, angst en lichamelijke pijn verdwijnen niet automatisch doordat iemand boeddhist wordt.

Wat verandert, is volgens de boeddhistische leer vooral de manier waarop iemand zich tot zulke ervaringen verhoudt.

Een onaangename ervaring kan er nog steeds zijn. Maar er hoeft niet altijd een tweede laag bovenop te komen:

“Ik haat dit.”

“Dit mag niet gebeuren.”

“Waarom overkomt mij dit?”

“Dit moet onmiddellijk weg.”

Juist het leren zien van zulke reacties kan onderdeel zijn van de beoefening.

Geluk en meditatie

Meditatie speelt hierbij een belangrijke rol, maar ook hier bestaat een populaire misvatting.

Meditatie is binnen het boeddhisme niet oorspronkelijk ontwikkeld als een snelle techniek om je beter te voelen.

Een rustige geest kan wel degelijk geluk en welzijn ervaren. De boeddhistische traditie kent verschillende meditatieve toestanden waarin vreugde, geluk en diepe rust een rol spelen. Maar meditatie heeft binnen de leer een breder doel: het ontwikkelen van concentratie, opmerkzaamheid en inzicht.

Daarom hoeft een slechte meditatiesessie niet te betekenen dat je iets verkeerd hebt gedaan.

Soms ontdek je tijdens meditatie juist hoeveel onrust, verlangen of irritatie er in je geest aanwezig is.

Ook dat kan leerzaam zijn.

Een minder bekende kant van het boeddhistische geluk

Een interessante nuance is dat geluk in de vroege boeddhistische teksten niet alleen wordt beschreven als iets wat je voelt, maar ook als iets dat verband houdt met de toestand van je geest.

Dat zie je bijvoorbeeld terug in de verschillende categorieën van sukha in de Aṅguttara Nikāya. Lichamelijk en geestelijk geluk worden onderscheiden, evenals werelds en spiritueel geluk.

Daarmee wordt geluk bijna een ontwikkelingsproces.

Wat iemand eerst gelukkig maakt, hoeft later niet meer de meest waardevolle vorm van geluk te zijn.

Een kind kan enorm blij worden van een speeltje. Een volwassene kan gelukkig worden van financiële zekerheid. Een mediterende beoefenaar kan rust ervaren wanneer de geest stil wordt. En binnen het boeddhistische ideaal kan bevrijding uiteindelijk worden gezien als een geluk dat niet afhankelijk is van vergankelijke ervaringen.

Het gaat dus niet simpelweg om meer geluk, maar om het ontwikkelen van een ander begrip van wat geluk eigenlijk is.

Wat kunnen we hiervan meenemen?

Volgens het boeddhisme is geluk niet iets wat je moet vermijden. Integendeel: sukha is een belangrijk onderdeel van het boeddhistische denken.

Maar niet iedere vorm van geluk is hetzelfde.

Een deel van ons geluk komt uit omstandigheden: geld, gezondheid, relaties, bezit, eten, plezier en succes. Zulke dingen kunnen waardevol zijn, maar ze veranderen voortdurend.

Een andere vorm van geluk ontstaat uit hoe je leeft. Eerlijkheid, vrijgevigheid, goed gedrag en een heldere geest kunnen een vorm van welzijn geven die minder afhankelijk is van wat je bezit. De vroege boeddhistische teksten benadrukken bijvoorbeeld dat het geluk van onberispelijkheid hoger wordt gewaardeerd dan verschillende vormen van materieel geluk.

En daarachter ligt nog een diepere gedachte: hoe sterker onze gehechtheid aan veranderlijke dingen, hoe kwetsbaarder ons geluk wordt.

De boeddhistische weg probeert daarom niet simpelweg een leven vol aangename ervaringen te creëren. Het doel is uiteindelijk een geest die niet voortdurend afhankelijk is van het krijgen, behouden en verdedigen van die ervaringen.

Daarom kan de vraag “Hoe word ik gelukkig?” binnen het boeddhisme langzaam veranderen in een andere vraag:

“Kan ik leren vrijer te zijn van de dingen waarvan ik denk dat ik ze nodig heb om gelukkig te zijn?”

Dat is misschien wel de kern van de boeddhistische visie op geluk. Niet dat geluk verkeerd is, maar dat de meest duurzame vorm van geluk volgens het boeddhisme ontstaat wanneer de geest steeds minder hoeft vast te grijpen.