Wat zegt het boeddhisme over verlangen?
Verlangen hoort bij het dagelijks leven. We verlangen naar liefde, succes, geld, erkenning, rust, plezier en zekerheid. We willen dat bepaalde dingen gebeuren en andere dingen juist niet. Maar volgens het boeddhisme kan juist in dat verlangen een belangrijke oorzaak van ontevredenheid en lijden liggen.
Toch is het te simpel om te zeggen dat het boeddhisme leert dat je helemaal niets meer mag verlangen. In de vroegboeddhistische teksten wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten verlangen. Sommige verlangens houden ons gevangen in ontevredenheid, terwijl een vorm van verlangen juist onderdeel kan zijn van het pad naar bevrijding.
Om dat verschil te begrijpen, moeten we kijken naar een belangrijk Pali-woord: taṇhā. Dat wordt meestal vertaald als “verlangen”, “begeerte” of “dorst”, maar “begeerte” of “craving” geeft de betekenis vaak beter weer. Het gaat niet om iedere wens die iemand kan hebben, maar om een dorstend verlangen dat zich vastbijt in iets en daar voldoening van verwacht.
Waarom is verlangen volgens het boeddhisme een probleem?
Het antwoord ligt bij de Vier Edele Waarheden.
De Boeddha beschrijft in de Dhammacakkappavattana Sutta (SN 56.11), een van de bekendste teksten over zijn eerste onderricht, taṇhā als de oorzaak van het ontstaan van dukkha. Dukkha wordt vaak vertaald als “lijden”, maar het begrip is breder. Het verwijst ook naar onbevredigdheid, spanning en het feit dat het leven ons niet blijvend de zekerheid en voldoening kan geven waarnaar we zoeken.
Het probleem is dus niet simpelweg dat we iets graag willen.
Stel dat je een kop thee wilt. Je maakt thee, drinkt hem en geniet ervan. Daar hoeft op zichzelf niets problematisch aan te zijn. Het wordt anders wanneer je geest begint te denken: ik moet dit hebben om gelukkig te zijn. Of: als ik dit eenmaal heb, zal ik eindelijk tevreden zijn. En vervolgens blijkt dat de tevredenheid maar tijdelijk is.
Dan ontstaat gemakkelijk een nieuwe wens.
Je hebt een nieuwe telefoon en na een tijdje wil je een betere. Je krijgt waardering voor iets wat je hebt gedaan en wilt vervolgens opnieuw erkenning. Je bent gelukkig met iemand en begint bang te worden om die persoon kwijt te raken. Je bereikt een doel en vrijwel meteen verschijnt het volgende doel.
Het boeddhisme onderzoekt precies dat mechanisme: waarom kan iets wat ons plezier geeft tegelijkertijd de basis worden voor onrust?
Taṇhā: meer dan gewoon verlangen
Een belangrijk onderscheid gaat verloren wanneer taṇhā simpelweg wordt vertaald als “verlangen”.
In de Pali-teksten betekent taṇhā letterlijk ook “dorst”. Die metafoor is veelzeggend. Dorst is niet zomaar een voorkeur. Het is een sterk gevoel van iets nodig hebben en ernaar op zoek gaan. In de context van de Vier Edele Waarheden gaat het om een vorm van verlangen die gepaard gaat met begeerte en die ons steeds opnieuw naar iets toe trekt.
Daarom betekent de boeddhistische boodschap niet:
verlang nergens meer naar.
De boodschap ligt dichter bij:
kijk zorgvuldig naar het soort verlangen dat in je geest ontstaat, wat het veroorzaakt en waar het je naartoe brengt.
Dat verschil is belangrijk. Wie het boeddhisme uitlegt als een leer waarin ieder verlangen moet worden uitgeroeid, maakt de leer veel grover dan de oorspronkelijke teksten doen.
De drie soorten verlangen
In de vroegboeddhistische teksten worden drie vormen van taṇhā onderscheiden.
Verlangen naar zintuiglijk genot
De eerste is kāma-taṇhā: verlangen naar zintuiglijke genoegens.
Dat kan gaan om eten, seks, mooie beelden, muziek, aanraking, comfort of andere aangename ervaringen. Het probleem zit daarbij niet alleen in het plezier zelf. Het gaat om de gehechtheid eraan en de dorst naar meer.
Een aangename ervaring komt en gaat. Wanneer de geest daar vervolgens aan vasthoudt en denkt dat hij die ervaring opnieuw nodig heeft, ontstaat een afhankelijkheid van iets dat van nature veranderlijk is.
In de vroegboeddhistische teksten wordt dit daarom niet benaderd als: “plezier is slecht”. Het gaat om de manier waarop de geest zich tot plezier verhoudt.
Verlangen naar worden
De tweede vorm is bhava-taṇhā, verlangen naar worden of bestaan.
Dit gaat verder dan het verlangen naar een bepaald object. Je kunt bijvoorbeeld verlangen om een bepaald soort persoon te worden: succesvol, gerespecteerd, spiritueel ontwikkeld, belangrijk of bijzonder.
Daarmee raakt verlangen aan identiteit.
Niet alleen “ik wil dit”, maar ook:
“ik wil iemand zijn die dit heeft.”
Binnen de boeddhistische analyse kan zo'n verlangen bijdragen aan het steeds opnieuw opbouwen van een beeld van wie je bent en wie je zou moeten worden. Bhava heeft in deze context een belangrijke relatie met “worden” en met het ontstaan van verdere bestaansvormen binnen saṃsāra.
Verlangen naar niet-worden
De derde vorm is vibhava-taṇhā, verlangen naar niet-worden.
Dat klinkt in eerste instantie misschien vreemd. Waarom zou het verlangen om iets niet te zijn ook verlangen worden genoemd?
Hier gaat het bijvoorbeeld om de wens om van een bepaalde toestand af te komen door haar volledig te vernietigen of eraan te ontsnappen. In de traditionele uitleg kan dit ook betrekking hebben op het verlangen naar het ophouden van het bestaan.
Het laat zien hoe breed taṇhā is. Het gaat niet alleen om: “ik wil meer.” Het kan ook de vorm aannemen van: “ik wil dat dit volledig verdwijnt.”
De drie vormen worden in de vroegboeddhistische traditie dus omschreven als verlangen naar zintuiglijk genot, verlangen naar worden en verlangen naar niet-worden.
Verlangen en gehechtheid zijn niet precies hetzelfde
Een ander belangrijk onderscheid is dat tussen taṇhā en upādāna.
Taṇhā wordt doorgaans vertaald als dorst of hunkering. Upādāna wordt vaak vertaald als gehechtheid of vastklampen. In de leer van afhankelijk ontstaan volgen deze twee elkaar op: gevoel (vedanā) geeft aanleiding tot verlangen, verlangen geeft aanleiding tot vastklampen, en dat vastklampen speelt vervolgens een rol in het verdere proces van worden.
Je kunt het verschil eenvoudig voorstellen.
Je ziet iets moois en ervaart een prettig gevoel. Vervolgens ontstaat de gedachte: dat wil ik. Dat is het verlangen.
Wanneer daar vervolgens een sterk “dit moet van mij zijn” bij komt, begint het vastklampen.
Daarom is het niet alleen interessant wat je verlangt, maar ook wat er daarna met je geest gebeurt.
Kun je iets graag willen en het vervolgens loslaten als het niet lukt? Of blijf je eraan denken, raak je gefrustreerd en voelt het alsof de wereld je iets verschuldigd is?
Dat tweede mechanisme is precies waar de boeddhistische analyse interessant wordt.
Waarom maakt verlangen ons ongelukkig?
De kern ligt bij vergankelijkheid.
Alles wat we ervaren verandert. Ons lichaam verandert, relaties veranderen, omstandigheden veranderen en ook onze gevoelens en gedachten veranderen. Zelfs een zeer prettige ervaring blijft niet permanent hetzelfde.
Als we iets veranderlijks behandelen alsof het ons blijvende zekerheid kan geven, ontstaat er een probleem.
Je kunt bijvoorbeeld denken:
“Als ik deze baan krijg, ben ik gelukkig.”
Je krijgt de baan. Een tijdje later is de spanning van het bereiken verdwenen en ontstaan nieuwe zorgen. Of je ontdekt dat de baan helemaal niet zo perfect is als je dacht.
Hetzelfde kan gebeuren met geld, bezit, uiterlijk, relaties en status.
Het boeddhisme zegt daarmee niet dat je zulke dingen niet mag waarderen. Het onderzoekt vooral de verwachting dat ze ons blijvend gelukkig kunnen maken.
De tweede Edele Waarheid gaat daarom niet simpelweg over externe dingen. De oorzaak van dukkha wordt gezocht in een proces van verlangen, vastklampen en verder worden. In de leer van afhankelijk ontstaan wordt taṇhā bovendien beschreven als iets dat ontstaat afhankelijk van vedanā, het gevoel of de gevoelsmatige toon van een ervaring.
Betekent dit dat je nergens meer naar mag streven?
Nee. Dit is een van de belangrijkste misverstanden over boeddhistisch verlangen.
In de Pali-teksten bestaat namelijk ook het begrip chanda. Dat kan eveneens met “verlangen” worden vertaald, maar het is niet hetzelfde als taṇhā.
Chanda kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de wens om iets te doen of te ontwikkelen. In de beschrijving van juiste inspanning (sammā-vāyāma) zegt de Boeddha dat iemand verlangen opwekt om onheilzame eigenschappen te voorkomen en los te laten en om heilzame eigenschappen te ontwikkelen en te onderhouden.
Dat levert een interessante ogenschijnlijke paradox op.
Als verlangen het probleem is, waarom moet je dan verlangen naar verlichting?
Het antwoord is dat het boeddhisme niet alle vormen van willen op één hoop gooit.
Je kunt verlangen om wijzer, vriendelijker of opmerkzamer te worden zonder dat dit hetzelfde is als de dorstende gehechtheid die met taṇhā wordt bedoeld. In de teksten kan chanda zelfs een onderdeel zijn van de beoefening van het pad.
Het doel is dus niet simpelweg passiviteit.
Het boeddhisme leert niet dat je onverschillig moet worden
Dit punt is vooral belangrijk in moderne westerse interpretaties.
“Loslaten” wordt soms opgevat als: nergens meer om geven. Geen ambities hebben, geen liefde voelen, geen voorkeuren hebben en vooral nergens enthousiast over worden.
Dat is niet wat de boeddhistische leer noodzakelijkerwijs bedoelt.
Het probleem is niet liefde op zichzelf, maar de manier waarop liefde kan veranderen in bezit, angst en vastklampen.
Het probleem is niet dat je iets mooi vindt, maar dat je denkt dat je het koste wat kost moet behouden.
Het probleem is niet dat je een doel hebt, maar dat je eigenwaarde volledig afhankelijk wordt van het bereiken ervan.
In plaats van onverschilligheid gaat het daarom eerder om een andere relatie tot ervaringen. Je kunt iets waarderen zonder te doen alsof het permanent is. Je kunt iets nastreven zonder ervan afhankelijk te worden voor je geluk.
Dat is een subtiel maar belangrijk verschil. Ook moderne filosofische analyses van de Pali Nikāya's benadrukken dat het een oversimplificatie is om het boeddhisme voor te stellen als een leer die het einde van alle vormen van verlangen nastreeft.
Wat gebeurt er wanneer een verlangen niet wordt vervuld?
Dit is misschien wel de makkelijkste manier om de boeddhistische kijk op verlangen in het dagelijks leven te herkennen.
Stel dat je heel graag een bepaalde baan wilt.
Zolang je die baan nog niet hebt, kan er spanning ontstaan. Je fantaseert over hoe het zal zijn wanneer je wordt aangenomen. Je vergelijkt jezelf met anderen. Je maakt je zorgen dat iemand anders wordt gekozen.
Als je wordt afgewezen, ontstaat teleurstelling.
Maar zelfs wanneer je wordt aangenomen, is het verhaal niet voorbij. Dan kan de angst ontstaan om de baan kwijt te raken, de behoefte aan promotie of de vergelijking met collega's.
Het object van verlangen verandert, maar het mechanisme kan hetzelfde blijven.
De Boeddha was daarom niet alleen geïnteresseerd in de vraag “wat wil je?”, maar ook in de manier waarop verlangen in de geest ontstaat en zich ontwikkelt.
Een bijzonder interessante tekst hierover is de Taṇhā Sutta (AN 4.199). Daarin wordt verlangen niet alleen beschreven als het willen hebben van objecten. De tekst laat zien hoe verlangen ook verbonden kan raken met ideeën over het “ik”: ik ben zo, ik wil zo zijn, ik zal zo zijn, ik wil anders zijn.
Daarmee wordt verlangen ook een kwestie van identiteit.
Verlangen hangt samen met het beeld dat je van jezelf hebt
We verlangen niet alleen naar dingen. We verlangen ook naar een bepaald verhaal over onszelf.
“Ik wil succesvol zijn.”
“Ik wil een goed mens zijn.”
“Ik wil spiritueel worden.”
“Ik wil iemand zijn die door anderen wordt bewonderd.”
Op het eerste gezicht lijken sommige van deze verlangens zelfs heel positief. Toch kan ook een spiritueel ideaal veranderen in een vorm van vastklampen.
Je kunt bijvoorbeeld zo graag een “goede boeddhist” willen zijn dat je voortdurend teleurgesteld raakt in jezelf wanneer je boos wordt, afgeleid bent of fouten maakt.
Dan is zelfs spiritualiteit onderdeel geworden van het verlangen naar een bepaald zelfbeeld.
Dat betekent niet dat het streven naar ontwikkeling verkeerd is. Het betekent dat het boeddhisme je uitnodigt om ook daar goed naar te kijken.
Hoe ga je volgens het boeddhisme met verlangen om?
De oplossing is volgens de Vier Edele Waarheden niet dat je jezelf simpelweg dwingt om nooit meer iets te willen.
De derde Edele Waarheid stelt dat het beëindigen van dukkha samenhangt met het uitdoven en loslaten van die dorst. De vierde Edele Waarheid wijst vervolgens op het Edele Achtvoudige Pad als de weg naar dat einde.
Daarmee verschuift de aandacht van onderdrukken naar begrijpen.
Wanneer verlangen ontstaat, kun je bijvoorbeeld onderzoeken:
- Wat voel ik op dit moment?
- Wat wil ik precies?
- Wat verwacht ik dat dit verlangen mij zal geven?
- Wat gebeurt er wanneer ik het niet krijg?
- Ben ik iets aan het waarderen, of ben ik me eraan aan het vastklampen?
- Is dit verlangen behulpzaam of maakt het mij juist onrustiger?
Dit sluit aan bij een bredere boeddhistische praktijk waarin je leert zien hoe ervaringen ontstaan en weer verdwijnen. Door die veranderlijkheid steeds beter te herkennen, kan de greep van verlangen afnemen.
Een minder bekend punt: zelfs het verlangen om van verlangen af te komen kan een probleem worden
Hier zit een van de interessantste kanten van de boeddhistische leer.
Je kunt namelijk ook gehecht raken aan het idee dat je vrij van gehechtheid moet zijn.
Iemand kan denken:
“Ik mag dit niet verlangen.”
Daarna ontstaat frustratie omdat het verlangen er nog steeds is.
Vervolgens kan iemand verlangen naar een perfecte staat van innerlijke rust waarin nooit meer een ongewenste gedachte of emotie opkomt.
Maar daarmee ontstaat opnieuw een vorm van “ik moet een andere toestand bereiken.”
De poging om verlangen volledig weg te krijgen kan daardoor zelf weer een object van verlangen worden.
Dit helpt verklaren waarom het boeddhistische pad niet alleen uit wilskracht bestaat. Het gaat om inzicht in hoe de geest werkt. Je leert niet simpelweg om iedere wens weg te drukken, maar om steeds beter te zien wat verlangen doet, waarom het ontstaat en waarom het uiteindelijk geen blijvende voldoening kan geven.
Verschillen tussen boeddhistische tradities
De nadruk op taṇhā en het loslaten van verlangen is sterk aanwezig in de vroegboeddhistische teksten en blijft ook in Theravada een belangrijk onderdeel van de leer.
Binnen Mahayana-boeddhisme worden verlangen en gehechtheid eveneens gezien als problemen, maar latere tradities ontwikkelen daarnaast andere manieren om over emoties en begeerte te spreken. Vooral in sommige Mahayana- en Vajrayana-tradities ontstaat een meer complexe benadering waarin verstorende emoties niet uitsluitend worden behandeld als iets dat eenvoudigweg moet worden onderdrukt.
Dat betekent niet dat deze tradities zeggen dat je je verlangens gewoon moet volgen. Het gaat eerder om het transformeren van de manier waarop je je tot zulke mentale toestanden verhoudt.
In sommige Mahayana-teksten wordt bovendien sterk de nadruk gelegd op het verlangen naar het welzijn en de bevrijding van alle levende wezens. Het ideaal van de bodhisattva maakt duidelijk waarom “verlangen” binnen het boeddhisme niet als één uniforme categorie kan worden behandeld. Een gericht verlangen naar ontwaken of naar het helpen van anderen is iets anders dan dorst naar bezit, status of zintuiglijk genot.
De precieze uitleg verschilt dus per traditie. De onderliggende vraag blijft echter herkenbaar: leidt dit verlangen tot meer gehechtheid en onvrijheid, of helpt het juist om gehechtheid los te laten?
Is verlangen dan altijd slecht?
Nee.
Een voorkeur hebben is niet hetzelfde als taṇhā. Iets leuk vinden is niet automatisch hetzelfde als eraan vastklampen. Een doel nastreven is niet automatisch hetzelfde als jezelf verliezen in verlangen.
Dat onderscheid is misschien wel de belangrijkste nuance wanneer je wilt begrijpen wat het boeddhisme over verlangen zegt.
De vraag is minder:
“Heb ik verlangen?”
en meer:
“Wat doet dit verlangen met mijn geest?”
Als je iets graag wilt en het lukt niet, kun je dan verder?
Als je iets krijgt, moet je er dan steeds meer van hebben?
Als iemand je niet bewondert, blijft je gevoel van eigenwaarde dan overeind?
Als een prettige ervaring voorbijgaat, kun je dat accepteren?
Juist in zulke situaties wordt zichtbaar of verlangen is veranderd in taṇhā: een dorst die steeds opnieuw bevrediging zoekt.
Verlangen in het dagelijks leven
Voor iemand die vandaag met het boeddhisme bezig is, hoeft dit geen abstract filosofisch onderwerp te blijven.
Je kunt beginnen met iets heel eenvoudigs: letten op het moment waarop een prettig of onprettig gevoel ontstaat.
Je ziet bijvoorbeeld iets wat je graag wilt hebben. Eerst is er alleen het zien. Dan komt een prettig gevoel. Vervolgens ontstaat de gedachte: dat wil ik. Daarna kan de geest beginnen met plannen, fantaseren en rechtvaardigen.
Door daar aandachtig naar te kijken, zie je dat verlangen niet zomaar uit het niets verschijnt. Het heeft een verloop.
Hetzelfde geldt voor iets onaangenaams. Je ervaart iets vervelends en wilt dat het onmiddellijk verdwijnt. Ook dat kan een sterke beweging van de geest worden.
De beoefening bestaat er dan niet uit dat je tegen jezelf zegt dat je niets mag willen. Je probeert juist te zien wat er werkelijk gebeurt.
Dat is een veel subtielere vorm van loslaten.
Wat betekent “verlangen loslaten” uiteindelijk?
Verlangen loslaten betekent binnen het boeddhisme niet dat je een koud of gevoelloos persoon wordt.
Het betekent dat je steeds minder afhankelijk bent van de gedachte dat de wereld precies moet geven wat jij wilt voordat je vrede kunt ervaren.
Je kunt iets waarderen zonder het te bezitten.
Je kunt ergens van genieten zonder te eisen dat het blijft.
Je kunt naar iets streven zonder je hele identiteit eraan vast te maken.
En je kunt teleurgesteld zijn zonder dat teleurstelling onmiddellijk verandert in langdurig lijden.
In de vroegboeddhistische leer wordt de volledige bevrijding uiteindelijk beschreven als het uitdoven van de dorst die leidt tot verder worden. Het gaat daarmee niet alleen om het verminderen van een paar alledaagse wensen, maar om een veel dieper inzicht in verlangen, gehechtheid, vergankelijkheid en het ontstaan van het idee van een blijvend “ik”.
Dat maakt de boeddhistische kijk op verlangen uiteindelijk minder eenvoudig dan de bekende uitspraak “boeddhisten moeten hun verlangens loslaten”.
De vraag is niet of een mens ooit iets wil.
De vraag is wat er gebeurt wanneer willen verandert in dorst, wanneer dorst verandert in vastklampen en wanneer vastklampen bepaalt of je gelukkig kunt zijn.
Precies daar begint het boeddhistische onderzoek naar verlangen.