Hoe leer je loslaten volgens het boeddhisme?

Loslaten is een woord dat tegenwoordig vaak wordt gebruikt voor het vermogen om iets uit het verleden achter je te laten, minder controle te willen hebben of je niet langer vast te houden aan een persoon, situatie of gedachte. Ook binnen het boeddhisme speelt dit idee een grote rol. Toch betekent boeddhistisch loslaten iets anders dan simpelweg zeggen: ik moet het van me afzetten.

In de vroegboeddhistische teksten gaat het vooral over niet langer vastklampen. Het probleem is niet alleen dat dingen veranderen, maar dat we proberen vast te houden aan dingen die van nature veranderen. We willen dat een relatie blijft zoals ze is, dat een gevoel niet verdwijnt, dat iemand ons blijft waarderen of dat een bepaalde voorstelling van onszelf overeind blijft.

Het boeddhisme probeert daarom niet te leren hoe je kunt voorkomen dat je gehecht raakt. Het gaat een stap verder: leren zien wat gehechtheid met je doet, waar ze vandaan komt en hoe je haar geleidelijk kunt loslaten.

Wat betekent loslaten in het boeddhisme?

Het Nederlandse woord loslaten is eigenlijk een vereenvoudiging van verschillende boeddhistische begrippen. Een van de belangrijkste daarvan is het Pali-woord upādāna, dat meestal wordt vertaald als clinging, hechting of vastklampen.

In de vroege boeddhistische teksten wordt onderscheid gemaakt tussen wat we kunnen ervaren en onze manier van ons eraan vastklampen. In de Upādāna Sutta wordt bijvoorbeeld beschreven hoe vorm, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn objecten van gehechtheid kunnen worden. 

Dat verschil is belangrijk.

Je kunt bijvoorbeeld van iemand houden zonder te denken:

Deze persoon moet bij mij blijven, anders kan ik niet gelukkig zijn.

Je kunt genieten van een mooie dag zonder te eisen dat die dag niet voorbijgaat. Je kunt trots zijn op iets wat je hebt bereikt zonder te denken dat jouw waarde als persoon ervan afhangt.

Loslaten betekent dus niet dat je niets meer mag waarderen. Het betekent dat je minder probeert te bezitten, controleren en vasthouden.

Dat is een subtiel maar belangrijk verschil.

Waarom is vasthouden volgens het boeddhisme een probleem?

Een belangrijk uitgangspunt van het boeddhisme is dat alles wat ontstaat ook weer verandert. Dit wordt aangeduid met het begrip anicca, meestal vertaald als vergankelijkheid of veranderlijkheid.

Ons lichaam verandert. Onze emoties veranderen. Relaties veranderen. Bezittingen verdwijnen. Gedachten komen en gaan. Zelfs onze ideeën over wie we zijn kunnen in de loop van ons leven sterk veranderen.

Op zichzelf hoeft verandering geen probleem te zijn. Het probleem ontstaat wanneer we iets wat veranderlijk is behandelen alsof het blijvend zou moeten zijn.

Daar ontstaat spanning.

Stel dat je heel gelukkig bent met een relatie. Op een bepaald moment kan de gedachte ontstaan: ik wil dat dit voor altijd zo blijft. De liefde zelf hoeft geen probleem te zijn. Maar wanneer de wens om de relatie vast te houden verandert in angst, controle, jaloezie of paniek bij iedere verandering, ontstaat er lijden.

Het boeddhisme kijkt daarom niet alleen naar wat we verliezen, maar naar onze verhouding tot dat verlies.

Het verschil tussen verlangen en gehechtheid

Een ander belangrijk begrip is taṇhā, vaak vertaald als dorst, verlangen of craving. In de leer van het afhankelijk ontstaan wordt taṇhā verbonden met upādāna: uit verlangen ontstaat vastklampen. Dat vastklampen wordt vervolgens verbonden met verdere processen die uiteindelijk tot lijden leiden. 

Dat betekent niet dat ieder verlangen slecht is.

Je kunt bijvoorbeeld verlangen om iets te leren, iemand te helpen of een meditatieve oefening te doen. Het boeddhisme maakt vooral onderscheid tussen een verlangen dat je steeds verder laat vastklampen en een motivatie die niet op dezelfde manier tot gehechtheid leidt.

Daarom is de vraag niet alleen:

“Wat wil ik?”

maar ook:

“Wat gebeurt er wanneer ik niet krijg wat ik wil?”

Daar zie je vaak waar gehechtheid zit.

Waar kunnen we ons allemaal aan vastklampen?

In de vroege boeddhistische leer worden vier vormen van gehechtheid onderscheiden:

  1. gehechtheid aan zintuiglijke genoegens;
  2. gehechtheid aan opvattingen en ideeën;
  3. gehechtheid aan regels, rituelen en praktijken;
  4. gehechtheid aan ideeën over het zelf. 

Dat laatste is misschien wel de interessantste.

We kunnen ons niet alleen vastklampen aan een persoon of bezit. We kunnen ons ook vastklampen aan een beeld van onszelf.

Ik ben nu eenmaal zo.

Ik ben een succesvol persoon.

Ik ben iemand die altijd sterk moet zijn.

Ik ben een mislukkeling.

Ook zulke ideeën kunnen onderdeel worden van onze identiteit. Wanneer de werkelijkheid vervolgens niet overeenkomt met dat beeld, ontstaat er spanning.

In die zin kan loslaten dus veel verder gaan dan spullen wegdoen of een oude relatie proberen te vergeten.

Loslaten begint met zien wat er gebeurt

Volgens het boeddhisme hoef je gehechtheid niet met geweld weg te duwen.

Dat zou namelijk gemakkelijk een nieuwe vorm van gehechtheid kunnen worden: ik moet nu van mijn gehechtheid af.

Een belangrijk onderdeel van de boeddhistische weg is daarom het ontwikkelen van inzicht. Je leert aandachtig kijken naar wat er in je ervaring gebeurt.

Bijvoorbeeld:

Je merkt dat iemand niet reageert op een bericht.

Eerst is er misschien een lichamelijk gevoel. Daarna ontstaat een gedachte: waarom reageert diegene niet? Vervolgens komt onzekerheid, irritatie of angst. Daarna ontstaat misschien de drang om opnieuw te kijken, een bericht te sturen of allerlei verklaringen te bedenken.

Door mindfulness kun je proberen het proces eerder op te merken.

Niet:

“Ik mag hier niet aan denken.”

Maar:

“Er is onrust. Er is onzekerheid. Er is de behoefte om te weten wat de ander denkt.”

Je probeert het niet onmiddellijk op te lossen. Je kijkt ernaar.

Dat klinkt eenvoudig, maar het verandert de verhouding tot de ervaring. Je bent dan niet meer volledig meegesleept door iedere gedachte en emotie die opkomt.

Kijk naar de vergankelijkheid van wat je probeert vast te houden

Een van de manieren waarop het boeddhisme naar gehechtheid kijkt, is door aandacht te geven aan vergankelijkheid.

Je kunt dit heel praktisch oefenen.

Wanneer je een prettige ervaring hebt, merk dan op dat ook deze ervaring verandert. Wanneer je verdrietig bent, merk dan eveneens dat het verdriet niet één onveranderlijk blok is. Het verandert voortdurend: soms sterker, soms zwakker, soms bijna afwezig.

Dit betekent niet dat je tegen jezelf moet zeggen:

Dit gaat toch voorbij, dus het maakt niet uit.

Dat zou de ervaring juist kunnen wegduwen.

De oefening is subtieler:

Dit is er nu. En ook dit verandert.

Door dat steeds beter te zien, wordt het moeilijker om ervaringen te behandelen alsof ze permanent bezit zijn.

Loslaten betekent niet dat je niets meer voelt

Een veelvoorkomend misverstand is dat boeddhistisch loslaten betekent dat je emotioneel afstandelijk moet worden.

Dat klopt niet.

Verdriet, liefde, woede, angst en vreugde verdwijnen niet simpelweg omdat iemand het boeddhisme bestudeert. In de vroege teksten ligt de nadruk eerder op de manier waarop we met zulke ervaringen omgaan.

Je kunt verdriet voelen zonder het verhaal dit verdriet mag niet bestaan eraan toe te voegen.

Je kunt van iemand houden zonder die persoon als bezit te behandelen.

Je kunt rouwen zonder te eisen dat het verlies nooit gebeurd zou mogen zijn.

Dat is iets anders dan onverschilligheid.

Een boeddhistische vorm van loslaten is daarom niet:

“Het kan me niets schelen.”

maar eerder:

“Het doet me iets, maar ik hoef het niet vast te grijpen.”

Wat heeft loslaten te maken met anattā?

Een van de diepere aspecten van boeddhistisch loslaten heeft te maken met anattā, het idee van niet-zelf.

Dat begrip wordt soms te simpel weergegeven als: er bestaat geen zelf. De vroege boeddhistische teksten werken echter op een meer praktische manier met het idee. Ze onderzoeken of we lichaam, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn terecht kunnen beschouwen als ik, mij of mijn zelf. Omdat deze voortdurend veranderen en niet volledig onder onze controle staan, worden we uitgenodigd om er minder sterk mee te identificeren. 

Dit heeft direct met loslaten te maken.

Wanneer je denkt:

“Ik ben mijn gedachten.”

kan iedere negatieve gedachte een bedreiging voor je identiteit worden.

Wanneer je leert zien:

“Ik heb deze gedachte, maar deze gedachte is niet noodzakelijk wie ik ben,”

ontstaat er ruimte.

Hetzelfde geldt voor emoties.

Ik ben verdrietig kan gemakkelijk veranderen in ik ben een verdrietig persoon.

Het boeddhisme probeert dergelijke identificaties te onderzoeken. Niet om een nieuw, perfect zelfbeeld te maken, maar juist om minder vast te zitten aan het idee dat je een onveranderlijk iemand bent die voortdurend moet worden beschermd en bevestigd.

De beroemde metafoor van het vlot

Een van de bekendste voorbeelden van loslaten vinden we in de Alagaddūpama Sutta (MN 22).

Daar vergelijkt de Boeddha zijn onderricht met een vlot waarmee iemand een gevaarlijke rivier oversteekt. Het vlot is nuttig om de overkant te bereiken. Maar wanneer iemand eenmaal veilig aan de andere kant is, zou het vreemd zijn om het vlot vervolgens op zijn hoofd mee te dragen. 

De vergelijking gaat over het boeddhistische onderricht zelf.

Dat maakt het voorbeeld bijzonder interessant. Zelfs de leer kan iets worden waaraan iemand zich vastklampt.

Je kunt bijvoorbeeld zo sterk gehecht raken aan mijn interpretatie van het boeddhisme dat de leer die bedoeld was om gehechtheid te verminderen juist een nieuwe bron van gehechtheid wordt.

De metafoor laat daarmee iets zien wat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien:

loslaten betekent uiteindelijk ook leren loslaten van ideeën waarvan je denkt dat je ze absoluut moet vasthouden.

Dat betekent overigens niet dat je helemaal geen overtuigingen of principes meer mag hebben. Het gaat om het verschil tussen iets gebruiken als hulpmiddel en er volledig aan vastzitten.

Ook het boeddhisme zelf kan iets worden waaraan je je vastklampt

Dit is een minder bekende maar interessante kant van het onderwerp.

Het boeddhisme zegt niet alleen: laat je bezittingen, verlangens en ego los. In de vroege teksten wordt ook gewaarschuwd voor gehechtheid aan opvattingen, regels en zelfs aan het onderricht zelf. De Atthaka Vagga, een oud deel van de Sutta Nipāta, behandelt uitgebreid het probleem van gehechtheid aan opvattingen en andere vormen van vastklampen. 

Dat voorkomt een merkwaardige paradox:

Ik moet leren loslaten.

Ik moet het boeddhisme perfect beoefenen.

Ik mag geen gehechtheid meer hebben.

Ik moet verlichting bereiken.

Ook dat kan een vorm van vastklampen worden.

Loslaten is daarom geen prestatie die je op een bepaald moment volledig hebt bereikt.

Hoe leer je praktisch loslaten?

Voor iemand die hier vandaag mee wil oefenen, hoeft het niet meteen over grote spirituele vraagstukken te gaan. Je kunt beginnen met gewone situaties uit het dagelijks leven.

1. Merk op waaraan je je vastklampt

Kijk bijvoorbeeld naar iets waar je veel spanning rond voelt.

Misschien wil je dat iemand zich op een bepaalde manier gedraagt. Misschien ben je bang om iets kwijt te raken. Misschien blijf je terugdenken aan een gebeurtenis uit het verleden.

Vraag jezelf:

Wat wil ik dat hier anders is?

En vervolgens:

Wat ben ik bang te verliezen als het niet anders wordt?

Vaak wordt dan duidelijker waar de gehechtheid zit.

2. Kijk naar het verschil tussen werkelijkheid en verwachting

Veel lijden ontstaat doordat de werkelijkheid niet overeenkomt met het beeld dat we ervan hebben.

Je dacht dat een vriendschap voor altijd zou duren.

Je dacht dat iemand jou zou begrijpen.

Je dacht dat je carrière een bepaalde richting op zou gaan.

Je dacht dat je altijd gezond, gelukkig of succesvol zou blijven.

Loslaten betekent niet dat je geen plannen of verwachtingen mag hebben. Het betekent dat je leert herkennen wanneer een verwachting verandert in een eis aan de werkelijkheid.

3. Laat gevoelens bestaan zonder ze direct te volgen

Wanneer verdriet of boosheid opkomt, probeer het niet onmiddellijk weg te krijgen.

Ga er ook niet automatisch in mee.

Je kunt simpelweg onderzoeken:

Waar voel ik dit in mijn lichaam?

Welke gedachten komen erbij?

Verandert het gevoel wanneer ik er een paar minuten aandacht aan geef?

Op die manier wordt meditatie een manier om vergankelijkheid rechtstreeks te ervaren, in plaats van alleen een idee erover te lezen.

4. Oefen met kleine dingen

Je hoeft niet te beginnen met je grootste angst of een ingrijpend verlies.

Je kunt oefenen met iets kleins.

Wanneer iemand je onderbreekt, merk dan de irritatie op zonder er onmiddellijk naar te handelen.

Wanneer iemand kritiek geeft, merk dan de behoefte op om jezelf te verdedigen.

Wanneer je telefoon niet reageert zoals je verwacht, merk dan de neiging op om steeds opnieuw te kijken.

Juist zulke kleine momenten laten zien hoe vaak de geest probeert controle te krijgen.

5. Oefen met niet-weten

Een deel van loslaten is kunnen verdragen dat je niet alles weet.

Je weet niet precies wat iemand anders denkt.

Je weet niet hoe een situatie over een jaar zal zijn.

Je weet niet welke gebeurtenissen in je leven nog zullen veranderen.

De behoefte om daar voortdurend zekerheid over te krijgen kan zelf een vorm van vastklampen worden.

Soms is een nuchtere gedachte voldoende:

“Ik weet het niet. Ik hoef het nu ook niet op te lossen.”

Wat zeggen verschillende boeddhistische tradities over loslaten?

De nadruk op niet-hechten komt in verschillende boeddhistische tradities terug, maar de manier waarop dit wordt uitgewerkt verschilt.

Theravada

Binnen het Theravada ligt veel nadruk op het herkennen van anicca (vergankelijkheid), dukkha (lijden of onbevredigdheid) en anattā (niet-zelf). In de vroege teksten wordt het loslaten van gehechtheid nauw verbonden met het beëindigen van verlangen en het doorbreken van de keten waardoor gehechtheid en lijden ontstaan. De Vier Edele Waarheden en het Achtvoudige Pad vormen hierbij het bredere kader. 

Loslaten is hier dus geen losstaande techniek. Het maakt deel uit van een veel grotere weg van ethiek, meditatie en inzicht.

Mahayana

In veel Mahayana-tradities krijgt niet-hechten daarnaast een sterke filosofische uitwerking via śūnyatā, meestal vertaald als leegte.

Leegte betekent hier niet dat niets bestaat. Het gaat erom dat verschijnselen geen volledig onafhankelijke, onveranderlijke eigen aard hebben. Dingen ontstaan in afhankelijkheid van andere omstandigheden.

Dat geldt ook voor ons beeld van onszelf.

Wanneer je beseft dat dingen niet zo vast en zelfstandig zijn als ze lijken, wordt het mogelijk om er minder rigide aan vast te houden. 

Zen

Ook binnen Zen staat het loslaten van gehechtheid sterk op de voorgrond. Zen benadrukt vaak directe ervaring en het niet vastgrijpen aan concepten.

Dat betekent niet dat je moet proberen je hoofd leeg te maken. Juist het verlangen om geen gedachten meer te hebben kan een nieuwe vorm van strijd worden.

De praktijk draait eerder om het niet voortdurend vastpakken van wat zich aandient.

Een gedachte komt op.

Je merkt haar.

En je hoeft er niet noodzakelijk achteraan.

Loslaten is niet hetzelfde als opgeven

Nog een belangrijk onderscheid: loslaten is niet hetzelfde als passief worden.

Als iets in je leven niet goed gaat, betekent loslaten niet dat je niets meer doet.

Je kunt een ongezonde relatie beëindigen.

Je kunt je grenzen aangeven.

Je kunt proberen een conflict op te lossen.

Je kunt hard werken voor een doel.

Je kunt voor iemand zorgen.

Het verschil zit in de mentale houding waarmee je dit doet.

Je kunt handelen zonder ervan uit te gaan dat de uitkomst volledig onder jouw controle valt.

Dat is moeilijk, want we zijn gewend om inspanning en controle aan elkaar te koppelen. Het boeddhisme probeert juist te onderzoeken wat er gebeurt wanneer je wel handelt, maar de werkelijkheid niet volledig probeert te dwingen om aan jouw verwachtingen te voldoen.

Hoe zit het met liefde en relaties?

Dit is misschien wel een van de lastigste toepassingen van boeddhistisch loslaten.

Als gehechtheid problematisch is, betekent dat dan dat je niet meer diep van iemand mag houden?

Nee.

Het onderscheid zit tussen liefde en bezit.

Wanneer liefde betekent:

Ik wens dat jij gelukkig bent, ook al kan ik niet alles controleren wat er gebeurt,

dan is dat iets anders dan:

Jij moet bij mij blijven en mij op een bepaalde manier behandelen, anders kan ik niet gelukkig zijn.

Binnen het boeddhisme wordt mettā, liefdevolle vriendelijkheid of welwillendheid, juist als een belangrijke kwaliteit ontwikkeld. Het doel is niet om minder te geven om anderen, maar om liefde minder afhankelijk te maken van bezit, controle en eigenbelang.

Dat maakt boeddhistisch loslaten in relaties soms juist heel praktisch.

Je probeert niet minder te voelen.

Je probeert minder vast te grijpen.

En als loslaten heel veel pijn doet?

Sommige dingen laten zich niet eenvoudig loslaten. Bij rouw, verlies, een verbroken relatie of een ingrijpende verandering kan het zelfs onrealistisch zijn om te verwachten dat je er snel “overheen” bent.

Het boeddhisme vraagt niet noodzakelijk om verdriet zo snel mogelijk te beëindigen.

Je kunt verdriet ervaren en tegelijkertijd zien dat je geest misschien probeert vast te houden aan een werkelijkheid die niet meer bestaat.

Dat kan bijvoorbeeld de gedachte zijn:

Het had nooit mogen gebeuren.

Die gedachte is begrijpelijk. Maar wanneer je haar steeds opnieuw probeert te gebruiken om het verleden ongedaan te maken, verandert ze niets aan wat er gebeurd is.

Loslaten kan dan heel klein beginnen:

Dit is gebeurd. Ik wou dat het anders was. En toch is dit de werkelijkheid waarin ik nu verder moet.

Dat is geen goedkeuring van wat er is gebeurd. Het is het stoppen van een gevecht met een feit dat al werkelijkheid is geworden.

De diepere betekenis van loslaten

In de vroegboeddhistische teksten is loslaten uiteindelijk veel meer dan een methode om je beter te voelen.

Het is verbonden met de hele boeddhistische visie op lijden en bevrijding.

In de Upādāna Sutta wordt beschreven hoe verlangen kan leiden tot gehechtheid, en hoe het verdwijnen van verlangen verbonden wordt met het verdwijnen van gehechtheid en uiteindelijk met het beëindigen van lijden. 

De Boeddha spreekt elders zelfs over het “neerleggen van de last”. In de Bhāra Sutta worden de vijf groepen van gehechtheid als een last beschreven en wordt het loslaten ervan verbonden met bevrijding. 

Daarmee wordt duidelijk waarom loslaten zo’n grote plaats heeft binnen het boeddhisme.

Het gaat uiteindelijk niet alleen om een rustiger leven.

Het gaat om de vraag:

Wat gebeurt er wanneer we niet langer proberen vast te houden aan datgene wat voortdurend verandert?

Loslaten is geen eenmalige beslissing

Misschien is dat wel de belangrijkste praktische les.

Je kunt vandaag iets loslaten en morgen merken dat je het alweer probeert vast te grijpen.

Dat betekent niet dat je hebt gefaald.

Gehechtheid is geen knop die je één keer omzet. Het is een patroon dat je steeds opnieuw kunt leren herkennen.

Je merkt dat je controle wilt.

Je merkt dat je bevestiging nodig hebt.

Je merkt dat je een bepaalde uitkomst absoluut wilt.

Je merkt dat je jezelf verdedigt.

En op dat moment ontstaat er een keuze: moet ik deze impuls volgen, of kan ik hem eerst gewoon zien?

Dat kleine moment van ruimte is belangrijk.

In het boeddhisme is loslaten uiteindelijk daarom minder een daad van kracht dan een vorm van inzicht. Naarmate je beter ziet dat ervaringen, emoties, relaties, bezittingen en zelfs ideeën over jezelf voortdurend veranderen, wordt het minder logisch om ze als blijvend bezit te behandelen.

Je hoeft het leven dan niet minder belangrijk te vinden.

Je hoeft minder krampachtig te proberen het vast te houden.

En precies daar raakt de moderne vraag “Hoe leer ik loslaten?” aan een van de oudste vragen van het boeddhisme: hoe kunnen we vrij worden van het vastklampen dat ons lijden in stand houdt?